Belanghebbende, een onderneming gevestigd in Curaçao, kreeg voor het jaar 2013 een naheffingsaanslag winstbelasting en een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. De naheffingsaanslag werd ambtshalve verminderd naar nihil, waardoor het beroep daarop niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het geschil betrof vooral de verzuimboete. Belanghebbende voerde aan dat sprake was van afwezigheid van alle schuld (avas) omdat zij vanwege lopende onderhandelingen met de Belastingdienst over fiscale geschilpunten in oudere jaren geen aangifte kon doen. Het Gerecht verwierp dit verweer, stellende dat belanghebbende de aangifte wel had kunnen doen op basis van eerdere standpunten en dat zij geen uitstel had aangevraagd.
Het Gerecht oordeelde dat geen sprake was van stelselmatig verzuim, aangezien in 2011 geen verzuim was geconstateerd. Gezien de omstandigheden matigde het Gerecht de boete van Naf. 2.500 tot Naf. 1.000. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende.
De uitspraak werd gedaan door rechter D.J. Jansen op 9 oktober 2017 in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.