Uitspraak
1.Procesverloop
2.Wettelijk kader
3.Beoordeling
4.Beslissing
verklaarthet beroep
ongegrond;
wijsthet verzoek om schadevergoeding
af.
zes wekenna kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Eiser is op 18 september 2017 Curaçao binnengekomen en had tot 23 november 2017 rechtmatig verblijf op basis van een verblijfsvergunning voor kort verblijf. Zijn aanvraag tot verlenging werd op 7 december 2017 afgewezen, waarna hij zonder geldige verblijfsvergunning verbleef. De minister van Justitie heeft eiser op 25 april 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld en bepaald dat hij uiterlijk 25 mei 2018 uit Curaçao wordt verwijderd, tevens is hij voor drie jaar als ongewenste vreemdeling verklaard.
Eiser maakte bezwaar en verzocht om voorlopige voorziening, maar trok het bezwaar later in. Het Gerecht oordeelt dat de minister bevoegd was tot verwijdering op grond van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) en dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel en het risico op ontduiking van verwijdering. De ongewenstverklaring wordt buiten toepassing van artikel 2, vierde lid, tweede zin, van het Toelatingsbesluit (Tb) gesteld, zodat rechtsbescherming mogelijk is.
Het Gerecht stelt vast dat de minister de belangen voldoende heeft afgewogen en de ongewenstverklaring gemotiveerd heeft. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring wordt afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijdering en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.