ECLI:NL:OGEAC:2018:228
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering partner voormalig minister-president Curaçao
In deze zaak stond de ontnemingsvordering tegen de partner van een voormalig minister-president van Curaçao centraal, die was veroordeeld voor medeplegen van witwassen. Het Gerecht onderzocht of de partner wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten uit het bewezen verklaarde feit.
Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen, waarbij de veroordeelde aanvankelijk niet aanwezig was, maar later wel werd bijgestaan door advocaten uit Curaçao en Nederland. Het openbaar ministerie vorderde vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op NAf 205.274,-- en betaling daarvan aan het land Curaçao. De verdediging verzocht afwijzing van de vordering.
Het Gerecht oordeelde dat het oude Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen van toepassing was, waarin hoofdelijke aansprakelijkheid nog niet was geregeld. Hoewel sprake was van een gezamenlijk voordeel, kon geen gezamenlijke betalingsverplichting worden opgelegd. Het voordeel vloeit rechtstreeks voort uit het omkopingsdelict van de veroordeelde zelf, waardoor het voordeel bij hem moet worden ontnomen en niet bij zijn partner.
Een verzoek om aanhouding van de behandeling in afwachting van een cassatiebeslissing werd niet toegewezen. De ontnemingsvordering werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: De ontnemingsvordering tegen de partner van de veroordeelde wordt afgewezen omdat het voordeel rechtstreeks aan de veroordeelde toekomt en hoofdelijke aansprakelijkheid niet van toepassing is.