Uitspraak
Parketnummer: 500.00480/17
Vonnis van dit Gerecht
[VERDACHTE],
BESLISSING
[benadeelde 2]niet-ontvankelijk in de vordering;
[benadeelde 1]niet-ontvankelijk in de vordering;
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Op 2 november 2018 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van moord en wapenbezit op of omstreeks 24 juli 2016. De officier van justitie eiste een levenslange gevangenisstraf en toewijzing van schadevergoedingsvorderingen van benadeelden. De verdediging betoogde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiarier vrijspraak.
Het Gerecht oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat het bevoegd was de zaak te behandelen. Het verweer van niet-ontvankelijkheid faalde wegens onvoldoende onderbouwing. Vervolgens werd het bewijs getoetst. Anonieme getuigenverklaringen, behalve van getuige H41, konden niet als bewijs dienen. De verklaring van H41 was niet overtuigend omdat deze niet uit eigen waarneming kwam en onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. Ook de verklaring van getuige 1 was onbetrouwbaar en niet uit eigen wetenschap.
Het Gerecht concludeerde dat er geen overtuigend wettig bewijs was dat verdachte betrokken was bij de liquidaties. De vorderingen tot schadevergoeding van benadeelden werden afgewezen wegens de vrijspraak. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De uitspraak werd gedaan door rechter M.T. Paulides.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs en de schadevergoedingsvorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard.