ECLI:NL:OGEAC:2018:382

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
19 december 2018
Publicatiedatum
22 mei 2020
Zaaknummer
CUR201801896
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling resterend bedrag uit vaststellingsovereenkomst toegewezen

De vennootschap Suchett S.A. heeft een kort geding aangespannen tegen Banco del Orinoco (BdO) wegens onvoldoende nakoming van een vaststellingsovereenkomst. Na meerdere aanhoudingen en pogingen tot minnelijke regeling is uiteindelijk een regeling getroffen, doch een bedrag van US$ 50.801,70 bleef onbetaald.

Suchett heeft haar eis verminderd tot dit openstaande bedrag en verzocht BdO te veroordelen tot betaling hiervan, vermeerderd met rente en kosten. BdO heeft de hoofdsom niet betwist, waardoor het Gerecht de vordering toewijsbaar achtte.

Hoewel in beginsel proceskostenveroordeling aan de orde was, heeft BdO aangevoerd dat rente en kosten reeds in de vaststellingsovereenkomst waren verdisconteerd. Suchett heeft hier niet op gereageerd, zodat het Gerecht geen afzonderlijke proceskostenveroordeling toekende. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Banco del Orinoco wordt veroordeeld tot betaling van US$ 50.801,70 aan Suchett zonder toewijzing van proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Vonnis in kort geding
in de zaak van:
de vennootschap naar het recht van Venezuela
SUMINISTRO DE CAPITAL HUMANO ETT S.A. (SUCHETT S.A.),
gevestigd te Venezuela,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
de naamloze vennootschap
BANCO DEL ORINOCO,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde,
gemachtigden: mr. T.E. Matroos.
Partijen zullen hierna Suchett en BdO genoemd worden.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Suchett heeft op 14 juni 2018 een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. De mondelinge behandeling van 9 juli 2018 is op verzoek van partijen aangehouden teneinde een minnelijke regeling te beproeven. Partijen hebben na verschillende aanhoudingen een regeling bereikt. Nadien is de zaak nogmaals een aantal keer aangehouden ter uitvoering van de regeling. Bij e-mailbericht van 24 november 2018 heeft mr. Braam om vonnis gevraagd.
1.2.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
Bij e-mail van haar gemachtigde van 24 november 2018 heeft Suchett laten weten dat BdO haar inmiddels overeenkomstig de regeling heeft betaald, met dien verstande dat daarvan een bedrag van US$ 50.801,70 onbetaald is gebleven. Suchett heeft haar eis verminderd tot dit bedrag en heeft verzocht BdO te veroordelen tot betaling van dit bedrag vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
BdO heeft deze verminderde hoofdsom niet betwist. Het Gerecht acht de gewijzigde vordering dan ook als voldoende onderbouwd en niet weersproken toewijsbaar.
2.3.
Nu BdO in het ongelijk wordt gesteld, bestaat in beginsel grond voor haar veroordeling in de proceskosten. BdO heeft bij e-mail van 26 november 2018 aangegeven dat partijen in de vaststellingsovereenkomst reeds hebben voorzien in een vergoeding van rente en kosten, zodat geen aanleiding bestaat voor een restantvordering met rente en een afzonderlijke proceskostenveroordeling. Suchett heeft daar niet (meer) op gereageerd. Het Gerecht volgt BdO in haar betoog dat de rente en de gemaakte proceskosten redelijkerwijs geacht moeten worden te zijn verdisconteerd in de tussen partijen overeengekomen regeling. Gesteld noch is gebleken dat er nadien nog (proces)kosten zijn gemaakt die voor rekening van BdO zouden moeten komen. Nu niet bekend is wanneer de regeling tussen partijen tot stand is gekomen, kan evenmin worden vastgesteld of Suchett rente toekomt, en zo ja vanaf wanneer.

3.De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:
-
veroordeeltBdO om een bedrag van US$ 50.801,70 aan Suchett te betalen;
-
verklaarthet vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
-
wijst afhet meer of anders gevorderde.
Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
19 december 2018.