Uitspraak
1.B,
R,
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
B en R, een gehuwd lesbisch paar, zijn in Nederland getrouwd en wonen sinds 2018 in Curaçao. R is zwanger dankzij een donor en B heeft het ongeboren kind in Nederland erkend via een prenatale akte. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Curaçao weigerde deze erkenning in te schrijven in het Curaçaose geboorteregister.
B en R vorderden in kort geding dat de ambtenaar wordt gelast hen beiden als ouders in de geboorteakte op te nemen, met inachtneming van de Nederlandse erkenning. De ambtenaar verweerde zich met verwijzing naar Curaçaose wetgeving die erkent dat een moeder degene is die het kind baart of adopteert en dat een erkenner slechts een man kan zijn.
Het Gerecht oordeelde dat op grond van artikel 40 van Pro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden de in Nederland opgemaakte authentieke akte rechtskracht heeft binnen het Koninkrijk, ook in Curaçao. De weigering van inschrijving is geen uitzondering bij de wet zoals bedoeld door de Hoge Raad. Het vermeende uitvoeringsprobleem kan worden opgelost door aanpassing van de registratie.
Daarom wordt de ambtenaar van de Burgerlijke Stand gelast na de geboorte van het kind de geboorteakte op te maken met inachtneming van de Nederlandse erkenning. De proceskosten worden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De ambtenaar van de Burgerlijke Stand wordt gelast de geboorteakte op te maken met inachtneming van de Nederlandse prenatale erkenning van het kind door twee moeders.