ECLI:NL:OGEAC:2019:269

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
22 oktober 2019
Publicatiedatum
6 december 2019
Zaaknummer
F 66220/2013
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Lv Toezicht Bank- en Kredietwezen 1994
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correctie vaststelling kosten noodregeling Girobank N.V. door Gerecht in eerste aanleg Curaçao

Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft op 22 oktober 2019 een beschikking gegeven waarin het een correctie aanbrengt op de eerdere vaststelling van kosten van de noodregeling van Girobank N.V. De noodregeling was uitgesproken bij beschikking van 16 december 2013 en de kosten waren eerder vastgesteld op NAf 7.303.024,12 tot en met 31 december 2017.

Uit een rapportage van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) en de mondelinge toelichting bleek dat kosten ter hoogte van NAf 1.685.582 ten onrechte waren opgevoerd. Deze kosten betroffen bonussen of toelagen aan (hoge) functionarissen van CBCS, mogelijk gerelateerd aan hun betrokkenheid bij de noodregeling, waarvoor geen voldoende rechtvaardiging bestaat om deze door te belasten aan Girobank.

Het gerecht volgt het voorstel van CBCS om deze kostenpost in mindering te brengen op de eerder vastgestelde kosten. Tevens is bepaald dat bij een volgend verzoek de kostenopstelling moet zijn ondertekend door de aangestelde gemachtigden, overeenkomstig de Faillissementsrichtlijnen 2012. De beschikking bepaalt dat het bedrag van NAf 1.685.582 geldt als voorschot voor kosten na 31 december 2017.

Uitkomst: Het gerecht brengt een correctie aan op de kostenvaststelling van de noodregeling Girobank door NAf 1.685.582 in mindering te brengen en als voorschot voor toekomstige kosten te beschouwen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de noodregeling ten aanzien van
GIROBANK N.V.,
De procedure
1. Verwezen wordt naar:
- de beschikking van 16 december 2013 waarbij de noodregeling werd uitgesproken;
- de beschikkingen van 23 juli 2015, 22 juli 2016 en 19 juni 2018 houdende vaststelling van kosten als bedoeld in art. 35 Lv Pro Toezicht Bank- en Kredietwezen 1994;
- de rapportage van mrs. Keizer en Francisco namens de Centrale Bank van Curacao en Sint Maarten (‘CBCS’) van 27 augustus 2019, zoals op die datum mondeling toegelicht.

Beoordeling

2. Bij beschikking van 19 juni 2018 zijn op verzoek van CBCS de kosten van de noodregeling over de periode van de aanvang van de noodregeling tot en met 31 december 2017 vastgesteld op NAf 7.303.024,12 en is bepaald dat deze kosten ten laste van Girobank worden gebracht.
3. Uit de rapportage en de mondelinge toelichting blijkt dat CBCS heeft vastgesteld dat in de aan die beschikking ten grondslag liggende kostenopgave ten onrechte kosten tot een bedrag van NAF 1.685.582 zijn opgevoerd. Het betreffen naar het gerecht begrijpt bonussen of toelagen die aan (hoge) functionarissen van CBCS zijn verstrekt, al dan niet verband houdend met hun bemoeienissen met de noodregeling. Een voldoende rechtvaardiging om die bedragen door te belasten aan Girobank ontbreekt. Het gerecht volgt CBCS dan ook in haar voorstel terug te komen op de kostenvaststelling in de beschikking van 19 juni 2018 en zal daarop NAf 1.685.582 in mindering te brengen. Daartoe zal worden beslist als hierna omschreven.
4. Naar analogie van hetgeen in de Faillissementsrichtlijnen 2012 van curatoren en bewindvoerders wordt verlangd, zal de bij een volgend verzoek gevoegde kostenopstelling moeten zijn getekend door de aangestelde gemachtigden.

Beslissing

Het Gerecht:
bepaalt dat van het bij beschikking van 19 juni 2018 vastgestelde bedrag aan kosten van de noodregeling over de periode van 13 december 2013 tot en met 31 december 2017 een bedrag van NAf 1.685.582 heeft te gelden als voorschot voor de gemaakte en te maken kosten na 31 december 2017.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2019, in aanwezigheid van de griffier.