ECLI:NL:OGEAC:2019:271
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kosten noodregeling First Curaçao International Bank N.V.
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao behandelde het verzoek van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) tot vaststelling van de kosten van de noodregeling van First Curaçao International Bank N.V. (FCIB). De noodregeling werd oorspronkelijk uitgesproken in 2006 en de kosten dienen volgens artikel 35 lid 1 van Pro de Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen 1994 (LTBK) door het gerecht vastgesteld te worden.
CBCS verzocht om vaststelling van kosten over verschillende perioden, waaronder een bedrag van NAf 4.585.217,10 voor de periode 2010-2018 en een aanvullend voorschot van NAf 8.813.904,83. Het gerecht oordeelde dat de kosten over de periode 1 januari 2009 tot 16 augustus 2019 voldoende waren onderbouwd en stelde deze vast op NAf 5.523.904,83.
Voor eerdere perioden (2006-2007 en 2008) ontbrak een adequate onderbouwing en verantwoording, waardoor vaststelling van kosten over die jaren niet mogelijk was. Tevens werd een voorschot voor de periode na 16 augustus 2019 afgewezen vanwege het ontbreken van een gedegen kostenopgave. Het gerecht benadrukte de beperkte rol van de rechter in noodregelingen en de noodzaak van transparantie en verantwoording door CBCS bij toekomstige verzoeken.
Uitkomst: De kosten van de noodregeling voor FCIB over 1 januari 2009 tot 16 augustus 2019 worden vastgesteld op NAf 5.523.904,83.