De zaak betreft een ontnemingsvordering van het Land Curaçao tegen betrokkene, die eerder is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, wegens meermalen gepleegde diefstal met valse sleutels. Daarnaast is een schadevergoeding van NAf. 25.300,00 aan de benadeelde opgelegd.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk NAf. 90.000,00, later bijgesteld tot NAf. 65.845,00, subsidiair NAf. 34.500,00. De verdediging bepleitte afwijzing van de ontnemingsvordering op basis van het pleidooi voor vrijspraak in de strafzaak.
Het Gerecht acht aannemelijk dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door de bewezenverklaarde feiten. Op basis van bankafschriften en het uitgavenpatroon van de aangeefster werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op NAf. 66.649,51. Het Gerecht legt betrokkene de verplichting op dit bedrag aan het Land te betalen en bepaalt dat bij niet-betaling vervangende hechtenis van 340 dagen zal worden toegepast.
De maatregel is gebaseerd op de artikelen 1:59 en 1:77 van het Wetboek van Strafrecht. Betrokkene is verschenen bij de terechtzitting van 13 december 2019 en het vonnis is uitgesproken op 20 december 2019 door rechter D. Gruijters.