ECLI:NL:OGEAC:2019:328

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
25 maart 2019
Publicatiedatum
14 mei 2020
Zaaknummer
CUR201802125
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming vaststellingsovereenkomst en betaling openstaand bedrag door Banco del Orinoco

Eiser heeft bij het gerecht een kort geding aangespannen tegen Banco del Orinoco N.V. wegens niet-nakoming van een vaststellingsovereenkomst waarin betaling van een geldbedrag was overeengekomen.

Partijen waren op 20 augustus 2018 tot een minnelijke regeling gekomen waarbij Banco del Orinoco reeds twee termijnen had betaald, maar nog een bedrag van USD 179.065,92 openstond. Eiser vorderde nakoming van de overeenkomst en betaling van het resterende bedrag vermeerderd met rente en kosten.

Banco del Orinoco betwistte de vordering niet en verwees naar het verzoek van eiser. Het gerecht stelde vast dat de vordering toewijsbaar was en bepaalde de wettelijke rente vanaf de datum van eisvermeerdering, 11 maart 2019. Banco del Orinoco werd veroordeeld tot betaling van het bedrag en de proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Banco del Orinoco wordt veroordeeld tot betaling van USD 179.065,92 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in kort geding
in de zaak van:
[EISER],
wonende in Venezuela,
eiser,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
de naamloze vennootschap
BANCO DEL ORINOCO N.V.,
gevestigd in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. T.E. Matroos.
Partijen zullen hierna [eiser] en BdO genoemd worden.

1.Het procesverloop

1.1. [
Eiser] heeft op 29 juni 2018 een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. De mondelinge behandeling is op verzoek van partijen meermaals aangehouden teneinde een minnelijke regeling te beproeven.
Bij e-mailbericht van 11 maart 2019 heeft mr. Braam het Gerecht medegedeeld dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben getekend, dat BdO nog USD 179.065,92 plus renten en kosten dient te betalen en dat partijen niet ter zitting hoeven te verschijnen en vonniskan volgen indien BdO refereert. Bij e-mailbericht van gelijke datum heeft BdO zich aan het verzoek gerefereerd.
1.2.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1. [
Eiser] houdt bij BdO een rekening-courant (nummer [nummer A]) en een Certificate Deposit rekening (nummer [nummer B]).
2.2.
Sedert 22 september 2016 probeert [eiser] zijn gelden naar zijn bankrekening te Miami overgemaakt te krijgen.
2.3.
Op 20 augustus 2018 zijn partijen tot een minnelijke regeling gekomen, welke is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst. De eerste twee betalingen van
USD 20.000 en USD 44.766,48 zijn aan [eiser] voldaan. Het restant van USD 179.065,92 staat nog open.

3.Het geschil

3.1. [
Eiser] vordert -na eisvermeerdering-, nakoming van de vaststellingsovereenkomst, in die zin dat BdO bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van US$ 179.065,92, vermeerderd met renten en kosten.
3.2. [
Eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat BdO tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst.
3.3.
BdO heeft zich aan het oordeel van het Gerecht gerefereerd.

4.De beoordeling

4.1.
BdO heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Nu de eiswijziging ook ambtshalve niet in strijd met de eisen van een goede procesorde wordt geacht, zal hierna bij de beoordeling van de gewijzigde eis worden uitgegaan.
4.2.
Nu BdO de gehoudenheid aan de vaststellingsovereenkomst niet heeft betwist, is voldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De vordering van [eiser] is dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de ingangsdatum van de gevorderde rente op de datum van de eisvermeerdering zijnde 11 maart 2019 zal worden gesteld, nu uit overgelegde stukken niet van een eerdere ingangsdatum blijkt.
4.3.
BdO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:
-veroordeeltBdO om een bedrag van US$ 179.065,92,= aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;
-
veroordeeltBdO in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot op heden begroot op NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris, NAf 2.160,= aan griffierechten en NAf 349,15 aan oproepingskosten;
- verklaarthet vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 25 maart 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.