1.1Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen (de Lav) is het een werkgever verboden een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder twv.
Op grond van artikel 3, aanhef en onder d, is dat verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over en door of namens de minister van Justitie afgegeven verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in het desbetreffende eilandgebied, voor zover deze vreemdeling arbeid verricht als zelfstandige.
2. Bij de aanvraag om verlenging heeft eiser aangegeven een verblijfsvergunning te willen hebben als directeur rechtspersoon/ zelfstandige.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, zonder dat eiser een twv heeft overgelegd, het verblijfsrecht van eiser alsnog verlengd, maar daarbij bepaald dat hij niet wordt toegelaten als ‘zelfstandige’, maar voor het verrichten van arbeid in loondienst als directeur van de rechtspersoon.
3. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of eiser als statutair directeur/enig aandeelhouder van de rechtspersoon in het kader van de toelating tot Curaçao is aan te merken als zelfstandige, dan wel als werknemer in loondienst.
Het Gerecht heeft deze vraag reeds beantwoord in zijn, ook tussen eiser en verweerder gewezen, uitspraak van 23 januari 2017, in de zaak met kenmerk Lar 2016/78578. In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, ziet het Gerecht geen aanknopingspunten om thans deze vraag anders te beantwoorden. Het Gerecht verwijst hier naar hetgeen bij voormeld uitspraak is overwogen onder r.o. 4 en voegt daaraan toe dat eiser in zijn hoedanigheid van statutair directeur/enig aandeelhouder niet als werknemer van de rechtspersoon kan worden aangemerkt, omdat de daarvoor noodzakelijke gezagsverhouding tussen beide ontbreekt. voorts staat het verweerder niet vrij aan het gemunte begrip ‘werknemer’ beleidsmatig een andere invulling te geven.
4. De slotsom is dat verweerder bij het bestreden besluit de verblijfsvergunning aan eiser ten onrechte niet heeft verleend als zelfstandige, op wie het regime van de Lav niet van toepassing is. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd en het Gerecht zal bepalen dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser zal dienen te beslissen.
5. Nu het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten opgekomen aan de zijde van eiser, als na te melden. Voorts zal het Gerecht bepalen dat het land Curaçao aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.