ECLI:NL:OGEAC:2020:25

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
3 februari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
CUR201902114 – CUR2019H00411
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 20 lid 3 LTBZArtikel 7 procesreglementArtikel 123 procesreglementArtikel 128 procesreglement
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verhoging griffierecht ongegrond bij geschil over duurtoeslagproduct

Aska Levensverzekering N.V. diende een verzoekschrift in tegen United Telecommunication Services N.V. met als doel een verklaring dat een overeenkomst tot stand is gekomen of subsidiair schadevergoeding wegens het afbreken van onderhandelingen. Bij indiening werd een griffierecht van NAf 450 geheven, maar de griffier stelde later vast dat het vast recht op NAf 7.500 had moeten worden getaxeerd vanwege het geldelijk belang.

Aska verzette zich tegen deze verhoging, stellende dat er geen direct geldelijk belang was dat op een bedrag kon worden gewaardeerd. Het gerecht oordeelde dat het geldelijk belang van de zaak aanzienlijk is, aangezien het onderwerp een duurtoeslagproduct betreft met een afkoopsom van ruim 58 miljoen Antilliaanse guldens.

Hoewel Aska geen expliciete opgave van het geldelijk belang deed, is het gerecht van oordeel dat de waarde van de overeenkomst substantieel is en dat het griffierecht terecht op het maximumtarief is vastgesteld. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de verhoging van het griffierecht naar NAf 7.500 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR201902114 – CUR2019H00411
Beschikking d.d. 3 februari 2020
inzake
de naamloze vennootschap
ASKA LEVENSVERZEKERING N.V.,
gevestigd in Curacao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof,
tegen
DE GRIFFIERvan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
Partijen zullen hierna Aska en de griffier worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Aska heeft op 13 juni 2019 een verzoekschrift ingediend bij het gerecht, geregistreerd onder nummer CUR201902114. Het verzoekschrift is gericht tegen United Telecommunication Services N.V. (hierna: UTS) en strekt primair tot het verkrijgen van een verklaring van recht dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Aska en UTS. Subsidiair vordert Aska een verklaring voor recht dat het afbreken van onderhandelingen met Aska door UTS onaanvaardbaar is geweest en vordert Aska schadevergoeding nader op te maken bij staat.
1.2.
Bij indiening van het verzoekschrift is aan Aska een griffierecht van NAf 450 geheven.
1.3.
Bij e-mails van 29 oktober 2019 heeft de vertegenwoordiger van de griffier aan mr. Van Hoof bericht dat het griffierecht onjuist was berekend en dat in deze procedure het vast recht had moeten worden getaxeerd op NAf 7.500. Mr. Van Hoof is verzocht het verschil ad NAf 7.050 te voldoen. Bij e-mail van 13 november 2019 is desgevraagd aan mr. Van Hoof bevestigd dat het een beslissing van de griffier betreft.
1.4.
Bij brief van 12 december 2019 heeft mr. Van Hoof zich namens Aska verzet tegen de heffing van het griffierecht van NAf 7.500 en heeft hij het gerecht verzocht de beslissing van de griffier om het griffierecht te verhogen te vernietigen. Mr. Van Hoof voert ter onderbouwing van zijn verzet aan dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een direct geldelijk belang dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd. De verwijzing van de griffier naar artikel 7 van Pro het procesreglement juncto artikel 123 en Pro artikel 128 Rv Pro zou daarom niet opgaan.
1.5.
De griffier refereert zich aan het oordeel van de rechter.

2.De beoordeling

2.1.
Het door Aska ingediende verzet is tijdig ingesteld.
2.2.
Het gerecht stelt voorop dat de griffier in beginsel bevoegd is om, indien na bestudering van het procesdossier door het gerecht of de griffier wordt geconstateerd dat het door de griffier getaxeerde griffierecht te laag is, het te weinig betaalde na te heffen. Dat is ook mogelijk als het te laag geheven griffierecht het gevolg is van een vergissing bij de vaststelling daarvan.
2.3.
Bepalend voor het verschuldigde vast recht is de regeling in het Landsbesluit Tarieven Burgerlijke Zaken (LTBZ). Artikel 20 lid 3 LTBZ Pro bepaalt dat in gevallen waarin het tweede lid niet van toepassing is, in eerste aanleg een vast recht is verschuldigd van NAf 450,-, tenzij de eisende partij een direct geldelijk belang heeft dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd. In dat laatste geval is het tweede lid van overeenkomstige toepassing, wat ertoe leidt dat bij een geldelijk belang van meer dan NAf 25.000,- het vast recht wordt vastgesteld op 1% van de hoofdsom met een minimum van NAf 750,- en een maximum van NAf 7.500,- (overeenkomstig lid 2 sub f).
2.4.
Met deze regeling heeft de wetgever hier te lande mogelijk gemaakt dat bij de bepaling van het vast recht door de vordering wordt heen gekeken, zodat een vordering die niet strekt tot betaling van een geldsom niet zonder meer van onbepaalde waarde in de zin van artikel 20 lid 3 LTBZ Pro is. De regeling is er derhalve op gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.
2.5.
Onderwerp van het geschil tussen Aska en UTS betreft een door Aska op maat gemaakt duurtetoeslagproduct waarbij UTS de duurtetoeslagen voor haar personeelsleden verzekert bij Aska middels betaling van een (al dan niet eenmalige) afkoopsom. Volgens de offerte van Aska van 26 februari 2019 betrof die afkoopsom een bedrag van ruim 58 miljoen Antilliaanse guldens. Nu UTS de overeenkomst met Aska niet gestand wenst te doen, vordert Aska primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst tot stand is gekomen, dan wel subsidiair schadevergoeding wegens het ongeoorloofd afbreken van onderhandelingen. Dat leidt tot de conclusie dat de overeenkomst voor Aska een (gelet op de afkoopsom vermoedelijk aanzienlijke) waarde vertegenwoordigt. Dat de waarde die de overeenkomst voor Aska vertegenwoordigt niet in het verzoekschrift wordt genoemd, dan wel voor wat betreft de subsidiaire vordering verwijzing naar een schadestaatprocedure wordt gevorderd, doet daar niet aan af. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft Aska geen opgave gedaan van het geldelijk belang in de zaak. Het standpunt van Aska dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een direct geldelijk belang houdt, gelet op het voorgaande, geen stand. Nu er geen opgave is gedaan van het direct geldelijk belang in de zaak overeenkomstig artikel 7 juncto Pro artikel 123 en Pro artikel 128 van Pro het procesreglement, is de hoogte van het griffierecht, mede gelet op de aard en de inhoud van de zaak, terecht bepaald op het maximumtarief van NAf 7.500.
2.6.
Het verzet is derhalve ongegrond.

3.De beslissing

Het Gerecht:
3.1.
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, en op 3 februari 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.