ECLI:NL:OGEAC:2020:299

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
27 augustus 2020
Publicatiedatum
18 december 2020
Zaaknummer
CUR202001962
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 444 lid 2 RvTitel 3, afdeling 6 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming pand wegens ontbreken huurrechten en afwijzing restitutievordering

Stadsherstel, eigenaar van een pand te Curaçao, vordert in kort geding de ontruiming van het pand door gedaagde die daar sinds 2001 verblijft zonder een geldige huurovereenkomst. Gedaagde betwist dit en vordert onder meer een vergoeding voor door haar gemaakte restauratiekosten.

Het gerecht stelt vast dat gedaagde geen rechten kan ontlenen aan enige huurovereenkomst, omdat de vermeende huurovereenkomst met een persoon die daartoe niet bevoegd was, niet rechtsgeldig is. De gevorderde ontruiming wordt toegewezen met een termijn van vier maanden, waarbij de deurwaarder bevoegd is de ontruiming met politiehulp te effectueren.

De vordering van gedaagde tot restitutie van onderhoudskosten wordt afgewezen wegens het niet voldoen aan de eisen voor toewijzing in kort geding. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het geding, maar krijgt toestemming om kosteloos te procederen vanwege haar onvermogen.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken door rechter P.E. de Kort op 27 augustus 2020.

Uitkomst: Gedaagde wordt bevolen het pand binnen vier maanden te verlaten; haar vordering tot restitutie wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202001962
Vonnis in kort geding d.d. 27 augustus 2020
inzake
de naamloze vennootschap N.V. STADSHERSTEL WILLEMSTAD,
gevestigd in Curaçao,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
vertegenwoordiger: haar bestuurder dhr. R.O. Lobo,
tegen
[gedaagde],
wonende in Curaçao,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,
Partijen zullen hierna Stadsherstel en [gedaagde] worden genoemd.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Stadsherstel heeft op 9 juli 2020 een verzoekschrift ingediend. Op 19 augustus heeft [gedaagde] producties en de eis in reconventie ter griffie ingediend. Vervolgens heeft op 20 augustus 2020 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen zijn verschenen. Dhr. Lobo heeft het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft ook het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Stadsherstel is sinds 16 mei 1997 eigenaar van het perceel en pand, plaatselijk bekend als [adres].
2.2. [
gedaagde] verblijft sinds het jaar 2001 in het pand te [adres].

3.Het geschil

3.1.
Stadsherstel vordert, in conventie, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te bevelen om het perceel en pand, plaatselijk bekend als [adres], te verlaten/ontruimen met medeneming van al het hare en al degenen die aan haar enig recht mochten ontlenen althans zich van harentwege aldaar mochten bevinden en/of aldaar verblijven, zulks binnen twee weken althans binnen een door de rechter in goede justitie vast te stellen termijn na het in dezen te wijzen vonnis, met machtiging aan Stadsherstel om deze ontruiming met behulp van de sterke arm zelf uit te voeren, althans onder verbeurte van een dwangsom van duizend gulden per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde ingebreke mocht blijven om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;
2. [ [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de door eiseres betaalde griffierechten.
Stadsherstel legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in het pand te [adres] verblijft. Zolang [gedaagde] zich in het pand bevindt, kan het pand niet vrij van gebruik aan een koper geleverd worden.
3.2. [
gedaagde] heeft verweer gevoerd.
[gedaagde] vordert, in reconventie, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] toestemming te verlenen om kosteloos te mogen procederen;
2. Stadsherstel, ondanks het feit dat zij eigenaresse is van de woning, mocht haar verzoek tot ontruiming worden gehonoreerd, te bevelen [gedaagde] ruimschoots de tijd te geven, minimaal zes maanden na het in dezen te wijzen vonnis. Dit gelet op de duur van haar bewoning van het pand en de omstandigheden van het geval;
3. Stadsherstel te bevelen tot restitutie/betaling van NAf 28.500 aan [gedaagde] voor de door [gedaagde] en haar man gedurende 19 jaar gemaakte restauratie- en/of onderhoudskosten voor de woning;
4. Stadsherstel te veroordelen in de kosten van deze procedure;
5. dat het Gerecht met het oog op een rechtvaardige oplossing voor het geschil een beslissing in goede justitie neemt.
Stadsherstel heeft verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Het is aannemelijk dat [gedaagde] al jaren zonder recht of titel in het pand te [adres] verblijft. Immers blijkt uit niets dat zij ooit een huurovereenkomst is aangegaan en/of concrete afspraken met betrekking tot het gebruik van het pand heeft gemaakt met de rechtsvoorganger(s) van Stadsherstel. Aan de mondelinge huurovereenkomst met ene mevrouw [naam], nadat de vorige bewoner [naam] was vertrokken, kan zij tegenover Stadsherstel ook geen rechten ontlenen. [naam] was immers niet gerechtigd een dergelijke overeenkomst met [gedaagde] aan te gaan.
4.2.
De gevorderde ontruiming zal gelet op het voorgaande worden toegewezen. Een ontruimingstermijn van vier maanden komt het Gerecht redelijk en passend voor. Nu de ontruiming desnoods gedwongen kan plaatsvinden door de deurwaarder, heeft Stadsherstel onvoldoende belang bij oplegging van een dwangsom.
4.3.
Ten aanzien van de vordering van [gedaagde] tot restitutie geldt, voor zover die niet voorwaardelijk is ingesteld, dat niet voldaan is aan de voor toewijzing van een geldvordering in kort geding geldende eisen.
Slotsom en kosten
4.6.
Op grond van het voorgaande zal worden beslist als hierna omschreven. [gedaagde] zal in conventie als de meest in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. In reconventie zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, die evenwel op nihil worden begroot. Uit het overgelegde bewijs van onvermogen blijkt genoegzaam van het onvermogen van [gedaagde] om proceskosten te dragen, zodat haar toestemming zal worden verleend om kosteloos te procederen.

5.De beslissing

Het Gerecht:
rechtdoende in kort geding:
in conventie
5.1.
beveelt [gedaagde] om het perceel en pand, plaatselijk bekend als [adres], te verlaten/ontruimen met medeneming van al het hare en al degenen die aan haar enig recht mochten ontlenen althans zich van harentwege aldaar mochten bevinden en/of aldaar verblijven, zulks binnen vier maanden na het in dezen te wijzen vonnis;
5.2.
verstaat dat, indien [gedaagde] niet binnen vier maanden na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (Titel 3, afdeling 6 Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, op kosten van [gedaagde], indien [gedaagde] in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 444 lid 2 Rv Pro;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van Stadsherstel gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierechten;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.5.
wijst de vordering af;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van Stadsherstel gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;
in conventie en in reconventie
5.7.
verleent [gedaagde] toestemming om kosteloos te procederen;
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door P.E. de Kort, rechter, en op 27 augustus 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.