Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
[eiser],
de minister van Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Wettelijk kader
Beslissing
zes wekenna kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Eiser, een Chinese nationaliteit dragende persoon, had een vergunning tot tijdelijk verblijf op Curaçao met als verblijfsdoel gezinsvorming/gezinshereniging die op 30 november 2017 verliep. Zijn verzoek tot verlenging werd door verweerder afgewezen omdat de garant geen verklaring van de Inspectie der Belastingen had overlegd waaruit een inkomen van ten minste Naf. 36.000,- bleek.
Eiser voerde aan dat de garant wel over voldoende middelen beschikte, onderbouwd met bankafschriften, en beriep zich op het recht op family life zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM Pro. Het Gerecht oordeelde dat verweerder terecht het ontbreken van de belastingverklaring als grond voor afwijzing hanteerde en dat de bankafschriften onvoldoende objectief bewijs vormden.
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM Pro stelde het Gerecht vast dat er sprake was van inmenging in het recht op family life, maar dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden voldoende had meegewogen in zijn belangenafweging. Daarom werd de beschikking vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen bleven in stand omdat de belangenafweging uiteindelijk niet leidde tot strijdigheid met artikel 8 EVRM Pro.
Het Gerecht benadrukte dat eiser het grootste deel van zijn leven in China had doorgebracht, geen sterke band met Curaçao had opgebouwd en dat terugkeer naar China geen onredelijke hardheid opleverde. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de beschikking vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.