ECLI:NL:OGEAC:2021:86

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
10 mei 2021
Publicatiedatum
12 mei 2021
Zaaknummer
CUR202004632
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.V.L.M. Wannyn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:201 lid 3 BWArt. 3:306 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte legaat percelen wegens rechtsverwerking

De zaak betreft een geschil over de afgifte van een legaat op twee percelen grond, gelegateerd door een erflater aan zijn neef, met de erfgenaam van deze neef als eiseres. De erflater had bepaald dat het legaat binnen zes maanden na overlijden moest worden afgegeven, maar deze termijn is verstreken.

Eiseres vordert dat gedaagde wordt verplicht mee te werken aan de levering van het legaat, stellende dat de termijn geen vervaltermijn is en dat zij als erfgenaam van de oorspronkelijke legataris in diens plaats treedt. Gedaagde voert verweer dat de oorspronkelijke legataris het legaat nooit heeft aanvaard en het recht daarop heeft verspeeld door langdurige stilzitten en geen gebruik van het perceel.

Het gerecht oordeelt dat de termijn in het testament een aansporingstermijn is en geen vervaltermijn, zodat aanspraak op het legaat ook na zes maanden mogelijk is. Echter, het gerecht stelt dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die rechtsverwerking aannemelijk maken: de oorspronkelijke legataris heeft het legaat niet opgeëist, geen gebruik gemaakt van het perceel, geen grondbelasting betaald, en er is een gerechtvaardigd vertrouwen bij gedaagde dat het recht niet meer wordt uitgeoefend.

Daarmee wordt de vordering van eiseres afgewezen en wordt zij veroordeeld in de proceskosten. Het beroep op verjaring en de vraag of het legaat formeel is verworpen blijven onbesproken.

Uitkomst: Vordering tot afgifte legaat op percelen wordt afgewezen wegens rechtsverwerking door oorspronkelijke legataris.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202004632
Vonnis van 10 mei 2021
inzake
[EISERES],
wonende in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. drs. L.L.A. Davelaar-Franklin,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende in Curaçao,
gedaagde,
procederende in persoon.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1. [
Eiseres] heeft op 27 november 2020 een inleidend verzoekschrift met producties ter griffie ingediend. [Gedaagde] heeft op 11 januari 2021 een conclusie van antwoord genomen en op 1 maart 2021, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, pleitnotities en nadere producties toegestuurd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 4 maart 2021 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: [eiseres], bijgestaan door haar gemachtigde en een adviseur, [naam 1], en [gedaagde], bijgestaan door haar dochter. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten nader uiteengezet, de gemachtigde van [eiseres] mede aan de hand van door haar overgelegde pleitaantekeningen.
1.3.
Vonnis is nader bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet zijn betwist.
2.2. [
[naam erflater] (hierna: de erflater) was de oom van [naam 2] (hierna: [naam 2]), de vader van [gedaagde] en de oudoom van [eiseres]. [naam 2] was de vader van [eiseres]. De erflater was sinds 22 februari 1954 de eigenaar van een perceel grond, waaronder een perceel van 1.250 m2 groot, gelegen te Pos di Wanga, plaatselijk bekend als Pos di Wanga [perceel nr] (perceel A), alsmede een daaraan grenzend perceel in zuidelijke richting metende ongeveer tien meter en in westelijke richting ongeveer twintig meter, met een oppervlakte van 1.248 m2 (perceel B).
2.3. [
[naam 2] heeft een woning gebouwd op perceel A. Per schenkingsakte van 7 mei 2003 heeft erflater perceel A aan [naam 2] geschonken.
2.4.
De erflater is op 22 september 2004 overleden in Curaçao. Hij heeft bij testament van 23 oktober 2002 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
II. “Ik legateer, niet vrij van rechten, af te geven bij notariële akte binnen zes maanden na mijn overlijden, aan mijn neef [NAAM 2] (…) het perceel , alsmede , zodat de totale oppervlakte van de gelegateerde percelen ongeveer <2.500m2> bedraagt.

3.Het geschil

4.De beoordeling

4.5.
Naar het oordeel van het gerecht is in het onderhavige geval gebleken van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [naam 2] zijn recht op perceel B niet meer geldend zou maken. Dat [naam 2] – al dan niet meermaals – uitdrukkelijk zou hebben gezegd dat hij niets met perceel B te maken wilde hebben, kan weliswaar, gelet op de betwisting daarvan door [eiseres], (zonder bewijslevering) niet worden vastgesteld. Dat [naam 2] op de hoogte was van het legaat en dat hij in de ruim twaalf jaar die hij na het overlijden van de erflater nog heeft geleefd nooit iets heeft gedaan om afgifte van het legaat te verkrijgen is echter niet in geschil. Dat [naam 2] enkel om perceel A een hek heeft gebouwd en dat hij nooit grondbelasting voor perceel B heeft afgedragen heeft [eiseres] niet weersproken. In het licht daarvan heeft [eiseres] evenmin (voldoende gemotiveerd) weersproken dat [naam 2] nooit gebruik heeft gemaakt van perceel B. Dat het door haar in dit kader genoemde houten huisje met elektriciteitskabels (naar de woning op perceel A) niet op perceel B staat heeft [eiseres] immers niet nader gemotiveerd betwist. Onder deze omstandigheden mocht [gedaagde] er op vertrouwen dat [naam 2] zijn aanspraak op perceel B niet meer geldend zou maken. Op haar rustte dan ook, anders dan [eiseres] heeft aangevoerd, niet de verplichting om na het overlijden van [naam 2] alsnog diens erfgenaam [eiseres] van het legaat kennis te geven.
4.6.
Aangezien het beroep op rechtsverwerking slaagt kan de vraag of [naam 2] het legaat conform artikel 4:201 lid 3 BW Pro op ondubbelzinnige wijze heeft verworpen in het midden blijven. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen. Ook het – gelet op artikel 3:306 BW Pro op voorhand niet erg kansrijke – beroep op verjaring kan onbesproken blijven.
4.7.
Het voorgaande dient tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] te leiden.
4.8. [
[eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Wannyn, rechter, en op 10 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.