ECLI:NL:OGEAC:2022:103

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
11 februari 2022
Publicatiedatum
29 april 2022
Zaaknummer
CUR202103931
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • U.I.D. Luydens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:179 BWArt. 3:303 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot partiële verdeling pensioen na echtscheiding in kort geding

Eiseres en gedaagde zijn voormalige echtelieden van wie de huwelijksgemeenschap nog niet is verdeeld. Eiseres vordert in kort geding dat zij 50% van het pensioen van gedaagde ontvangt, terwijl gedaagde zich verzet tegen een gedeeltelijke verdeling en een volledige verdeling wenst. Het gerecht oordeelt dat eiseres geen spoedeisend belang heeft, omdat haar inkomen niet voldoende is gedaald en een emotioneel belang niet volstaat volgens artikel 3:303 BW Pro.

Daarnaast is een partiële verdeling van de gemeenschap slechts mogelijk bij gewichtige redenen, die hier niet zijn gesteld. Het gerecht benadrukt dat een kort geding niet geschikt is om vooruitlopend op de bodemprocedure een gedeeltelijke verdeling tot stand te brengen, zeker niet bij onenigheid over omvang en waarde van de gemeenschap.

Daarom wijst het gerecht de vordering af en veroordeelt eiseres in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door rechter U.I.D. Luydens en op 11 februari 2022 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot toewijzing van 50% van het pensioen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en ongeschiktheid van kort geding voor partiële verdeling.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING
In de zaak van:
[EISERES],
wonende in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. A. Kleinmoedig,
--tegen--
[GEDAAGDE],
wonende in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Bloem.

1.Verloop van de procedure

Eiseres heeft op 8 december 2021 een verzoekschrift met producties ingediend. Vervolgens heeft, na aanhouding, op 28 januari 2022 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij eiseres in persoon, gedaagde via video-verbinding (via de telefoon van zijn gemachtigde) en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities. Van te voren hebben partijen producties ingediend. Daarnaast heeft eiseres haar eis gewijzigd en heeft gedaagde een voorwaardelijke eis in reconventie ingediend.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

Partijen zijn voormalige echtelieden. Bij beschikking van 4 februari 2003 is de echtscheiding uitgesproken en is de verdeling van de huwelijkse gemeenschap bevolen. De echtscheidingsbeschikking is op 19 maart 2003 in het register van de burgerlijke stand ingeschreven.
2.2.
Gedaagde is op 1 januari 2015 met pensioen gegaan. Sindsdien ontvangt hij een pensioenuitkering.
2.3.
Sinds 2018 is gedaagde teruggekeerd naar de echtelijke woning en wonen zij daar afzonderlijk van elkaar.
2.4.
De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: de gemeenschap) is nog niet verdeeld. Daarover is reeds een procedure aanhangig gemaakt door eiseres, welke op 14 februari 2022 dient voor behandeling/conclusie van antwoord.

3.Het geschil in conventie en in voorwaardelijke reconventie

3.1.
Eiseres vordert, na eiswijziging, in dit kort geding dat gedaagde (geboren in 1954) wordt veroordeeld aan eiseres 50% van de door gedaagde ten laste van het Vidanova Pensioenfund te ontvangen maandelijkse pensioenuitkering te betalen, dat voor zover gedaagde daaraan geen medewerking zal verlenen dit vonnis in de plaats treedt van de door gedaagde te verlenen toestemming aan het Vidanova Pensioenfund, met benoeming van een onzijdige persoon.
3.2.
Gedaagde heeft onder meer het verweer gevoerd dat hij de gehele gemeenschap verdeeld wenst te zien en heeft zich er met verwijzing naar artikel 3:179 BW Pro tegen verzet dat slechts één bestanddeel - het pensioen - eruit wordt gelicht.
3.3.
Indien de vordering van eiseres wordt toegewezen vordert gedaagde in voorwaardelijke reconventie bij wijze van voorschot eiseres in reconventie te veroordelen tot betaling van NAf 74.849,35 dan wel een bedrag van NAf 2.000,= per maand.
3.4.
Daaraan legt gedaagde ten grondslag dat hij schulden en kosten van de gemeenschap 100% heeft afbetaald en dat eiseres bij wijze van voorschot minimaal 50% aandeel heeft. Hij begroot de door hem gedane betalingen op NAf 149.698,71.
3.5.
Eiseres voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Na afloop van de behandeling heeft het gerecht reeds een voorlopig oordeel geven inhoudende dat de vordering van eiseres met betrekking tot het pensioen om meerdere redenen niet toewijsbaar is. Het gerecht blijft bij dat oordeel. Daartoe is het volgende redengevend.
4.2.
Allereerst ontbreekt het eiseres aan een (spoedeisend) belang aan het gevorderde. Zij heeft daartoe gesteld dat zij thans 4 uur per dag werkt, hetgeen door gedaagde gemotiveerd is weersproken. In ieder geval heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar inkomen dusdanig is verminderd dat daarin een spoedeisend belang is gelegen. Daarnaast stelt zij een emotioneel belang te hebben bij het gevorderde omdat zij iedere dag gaat werken en telkens weer geconfronteerd wordt dat gedaagde van zijn pensioen geniet. Een dergelijk emotioneel belang kan niet worden aangemerkt als een voldoende rechtens relevant belang als bedoeld in artikel 3:303 BW Pro. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat een zuiver emotioneel belang slechts onder bijzondere omstandigheden een voldoende belang in de zin van 3:303 BW oplevert. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier geen sprake.
4.3.
Echter, ook indien zou worden aangenomen dat eiseres wél een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, dient die te worden afgewezen, en wel op grond van het volgende.
4.4.
Wat eiseres vordert is een partiële verdeling van de gemeenschap. In beginsel kan op grond van artikel 3:179 BW Pro slechts de verdeling van een gehele gemeenschap worden gevorderd en kan enkel bij gewichtige redenen een gedeeltelijke verdeling worden gevorderd. Dat er sprake is van gewichtige redenen is echter niet gesteld. In ieder geval kunnen de hiervoor genoemde belangen niet dienen als gewichtige redenen.
4.5.
Bovendien kan een vordering tot verdeling in beginsel niet worden toegewezen in een kortgedingprocedure, zeker niet in het onderhavige geval waarbij partijen het niet eens zijn over de omvang en de waarde van de gemeenschap (en de te verrekenen vorderingen) en (dus) het ook niet eens zijn over de wijze van verdeling daarvan. Het is niet aan de kort geding rechter om bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over de verdeling, vooruitlopend op het resultaat in de aanhangig gemaakte bodemprocedure, als ordemaatregel een (partiele) verdeling tot stand te brengen.
4.6.
Eiseres wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, verwezen in de proceskosten begroot aan de zijde van gedaagde op NAf 1.000,=.

3.De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:
3.1.
wijst het gevorderde af;
3.2.
veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde begroot op NAf 1.000,=;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. U.I.D. Luydens, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2022.