Uitspraak
.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Op 25 maart 2022 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een beslissing genomen in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde notaris, die eerder strafrechtelijk aansprakelijk werd gehouden voor verduistering en het plegen van witwassen als gewoonte. De ontnemingsvordering betrof een bedrag van ANG 1.452.000, het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Gerecht baseert zich op het vonnis van 10 september 2021 en stelt vast dat de vermogensverschuiving van de Stichting Derdengelden naar de veroordeelde heeft plaatsgevonden, waarbij de stichting is verarmd. De verdediging voerde aan dat het bedrag toekwam aan de veroordeelde als eigenaar van de notarispraktijk, maar het Gerecht wijst dit af vanwege de rechtspersoonlijkheid van de praktijkvennootschap.
Het Gerecht kiest voor een scenario waarbij het voordeel wordt bepaald aan de hand van de belastingdruk over een dividenduitkering van ANG 1.452.000, wat resulteert in een ontnemingsbedrag van ANG 580.800. De veroordeelde wordt verplicht dit bedrag aan het Land Curaçao te betalen, met een sanctie van vervangende hechtenis bij niet-betaling. De beslissing is niet in het openbaar uitgesproken maar aan partijen toegezonden.
Uitkomst: De veroordeelde wordt verplicht tot betaling van ANG 580.800 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met vervangende hechtenis bij niet-betaling.