Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAC:2022:182

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
13 mei 2022
Publicatiedatum
18 juli 2022
Zaaknummer
CUR202200013
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorg- en alimentatieregeling na echtscheiding met internationale werkverplichtingen

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 13 mei 2022 een voorlopige zorgregeling en alimentatiebijdrage vastgesteld na een echtscheiding tussen partijen die lange tijd gehuwd waren. De vader, die vaak in het buitenland werkt, verzocht om een concrete zorgregeling waarbij de minderjarige minimaal tien dagen per maand bij hem verblijft, inclusief specifieke dagen zoals Vaderdag en verjaardagen. De moeder stond omgang toe maar wilde geen vaste regeling vanwege de internationale werkverplichtingen van de vader.

Het gerecht oordeelde dat ondanks de praktische moeilijkheden een zorgregeling noodzakelijk is en stelde een regeling vast conform het verzoek van de vader, met een afwisselende verdeling van vakanties en feestdagen. Ten aanzien van de alimentatie stelde de moeder een hoge bijdrage voor op basis van het gezamenlijke gezinsinkomen en de lange huwelijksduur, terwijl de vader lagere bedragen betwistte en zijn financiële situatie onderbouwde met loonstroken en jaarrekening.

Het gerecht gaf de vader de gelegenheid om aanvullende financiële bewijsstukken te overleggen over zijn inkomsten uit bedrijf en investeringen. Voorlopig werd bepaald dat de vader, indien de moeder na 1 april 2022 geen baan meer heeft, een verhoogde alimentatie van NAf 2.000,- per maand betaalt, anders NAf 1.500,-. Daarnaast blijft hij verantwoordelijk voor hypotheeklasten en overige kosten van de woning en zorgkosten boven het reguliere niveau voor de minderjarige. Verdere beslissingen zijn aangehouden en de zaak is verwezen voor nadere bewijslevering.

Uitkomst: Voorlopige zorgregeling vastgesteld en alimentatiebijdrage bepaald afhankelijk van het arbeidsinkomen van de moeder met verdere bewijslevering aangehouden.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummers: CUR202200013
Beschikking d.d. 13 mei 2022
in de zaak tussen:
[de man],
wonende in Curaçao,
verzoeker, hierna: de man,
gemachtigde: mr. A.S.M. Blonk,
tegen
[de vrouw],
wonende in Curaçao,
verweerster, hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

1.1. Het procesverloop

Voor het eerdere procesverloop van de procedure wordt verwezen naar hetgeen daarover is overwogen in de echtscheidingsbeschikking van 22 februari 2022. Daarbij is aangehouden de beslissing op het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen en het verzoek van de vrouw om partner- en kinderalimentatie. Op verzoek van partijen is de zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een regeling te beproeven. Tot een regeling zijn partijen niet gekomen, zodat de gerechtelijke procedure zal worden voortgezet.
Het vervolg:
- akte uitlating van 8 maart 2022 zijdens de man;
­ de voortzetting van de mondelinge behandeling op 8 april 2022, alwaar verschenen zijn de man en de vrouw, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, waarbij namens de vrouw een pleitnota is overgelegd.
1.1.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

zorgregeling

2.1.
De man heeft het gerecht verzocht een zorgregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarige, [de minderjarige]. De man heeft daartoe het volgende voorstel voor een zorgregeling gedaan. Vanwege het feit dat de man vaak uitlandig is in verband met zijn werk, verzoekt hij het gerecht te bepalen dat [de minderjarige] minimaal 10 dagen per maand met de man zal doorbrengen. Verder verzoekt de man te bepalen dat hij [de minderjarige] op zijn verjaardag bij zich mag hebben, evenals op Vaderdag en op de verjaardag van zijn ouders (oma en opa van [de minderjarige]). In de even jaren wenst de man dat [de minderjarige] haar eigen verjaardag bij de man mag doorbrengen. De man verzoekt het gerecht ook de vakanties en de feestdagen te verdelen. De vakanties wenst de man bij helfte te verdelen en de feestdagen in de even en oneven jaren af te wisselen.
2.2.
De vrouw heeft aangevoerd geen bezwaar te hebben tegen omgang van de man met [de minderjarige]. De vrouw meent echter dat er geen concrete omgangsregeling kan worden vastgesteld, juist omdat de man zo vaak in het buitenland is. De omgang is daarom tot op heden in goed onderling overleg geregeld en de vrouw wenst dit zo te houden. Tegen een vaste verdeling van de feestdagen, met name de kerstdagen, heeft de vrouw ook bezwaar.
2.3.
Artikel 1:247 lid 1 BW Pro bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. De vrouw heeft geen bezwaar tegen omgang tussen de man en [de minderjarige]. Hetgeen overigens door de vrouw aangevoerd tegen vaststelling van een zorgregeling bij beschikking acht het gerecht onvoldoende om tot afwijzing van het verzoek van de man te beslissen. De man heeft sedert zijn vertrek uit de echtelijke woning, steeds omgang gehad met [de minderjarige]. De vrouw erkent dat de man voor werk vaak naar het buitenland moet afreizen, zodat een concrete zorgregeling in de praktijk moeilijk uit te voeren zal zijn. Het gerecht zal daarom een zorgregeling vaststellen conform het verzoek van de man en tevens een regeling vaststellen ten aanzien van de vakanties en feestdagen als hierna te bepalen.
kinder- en partneralimentatie
2.4.
De vrouw heeft het gerecht verzocht te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige] aan haar dient te betalen van NAf 1.500,- per maand. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man ter zake van een bijdrage in haar eigen levensonderhoud een bijdrage van NAf 6.500,- aan haar dient te betalen.
2.5.
De vrouw heeft in dat kader gesteld dat partijen 27 jaar met elkaar gehuwd zijn geweest, terwijl zij voor het voltrekken van het huwelijk reeds 20 jaar samen waren. De man geniet een hoog inkomen, waardoor partijen altijd een hoge levensstandaard hebben gehad. Het gezinsinkomen van partijen dient op
NAf 20.000,- per maand te worden gesteld. Daarnaast geniet de man ook inkomen uit zijn eigen bedrijf en/of investeringen. De man is eigenaar van het bedrijf [bedrijf], welk bedrijf participeert in het bedrijf [bedrijf 2] De vrouw heeft thans een netto maandinkomen van NAf 2.726,33. Dit inkomen is echter niet zeker, nu het dienstverband van de vrouw spoedig teneinde zal komen, nog steeds volgens de vrouw. De man heeft altijd alle kosten verbonden aan het huishouden van partijen volledig betaald. Daarnaast betaalde hij aan de vrouw een bedrag van NAf 1.500,- per maand, zodat de vrouw een bedrag van NAf 4.226,33 volledig vrij te besteden had. Volgens de vrouw heeft de man voldoende draagkracht om te voldoen aan de door haar verzochte bijdragen.
2.6.
De man heeft de stellingen van de vrouw weersproken. De man heeft aan de hand van door hem overgelegde loonstroken aangevoerd dat hij een maandelijks netto inkomen heeft van NAf 12.754,90. Hij heeft daarnaast geen additionele inkomsten uit zijn eigen bedrijf en/of investeringen. Het bedrijf [bedrijf] is volgens de man niet winstgevend, en ten bewijze daarvan heeft de man een jaarrekening overgelegd. Volgens de man is hij niet in staat om de door de vrouw verzochte bijdragen te betalen. Hij heeft voorgesteld om ter zake van de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige] een bedrag van NAf 850,- per maand aan de vrouw te betalen. Daarnaast zal hij ook bijdragen in andere mogelijke grote uitgaven voor [de minderjarige]. De man heeft verder aangevoerd dat hij thans de hypotheek van de voormalige echtelijke woning van partijen betaalt en de overige daaraan verbonden kosten. Volgens de man dient een door het gerecht vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw lager te zijn dan de vast te stellen kinderalimentatie.
2.7.
Het gerecht oordeelt als volgt. Partijen hebben de nodige informatie overgelegd betrekking hebbende op hun maandelijkse inkomsten en uitgaven. De vrouw heeft gesteld dat de man, naast zijn inkomen uit dienstverband, tevens een substantieel inkomen geniet uit een eigen bedrijf en investeringen. De man heeft dit betwist. Nu uit de door de man overgelegde stukken onvoldoende duidelijk is geworden wat de financiële situatie van het bedrijf is van de man en of er sprake is van participatie in andere bedrijven en wat de waarde daarvan dan is, zal het gerecht de man, conform zijn aanbod, in de gelegenheid stellen het een en ander nader te onderbouwen met bewijsstukken, zoals, onder meer, bankafschriften, belastingaangiften, aanslagen en aandeelhoudersregisters, alle over de afgelopen drie jaar (2019, 2020 en 2021). Ook dient de man een overzicht over te leggen van zijn maandelijkse uitgaven, zoveel mogelijk onderbouwd. De zaak zal daarvoor worden verwezen naar een hierna te bepalen datum voor het overleggen van een akte zijdens de man. De vrouw zal hierna in de gelegenheid worden gesteld op de door de man ingediende akte te reageren.
2.8.
Ter zitting is afgesproken dat de man, indien de vrouw na 1 april 2022 geen baan meer heeft, voorlopig een bijdrage aan de vrouw zal betalen van NAf 2.000,- per maand (in plaats van het steeds door de man betaalde bedrag van NAf 1.500,- per maand) ter zake van de kosten van levensonderhoud van de vrouw en [de minderjarige]. Daarnaast zal de man de hypotheek en alle daarmee verband houdende kosten van de woning blijven voldoen en tevens zal hij de onderhoudskosten van de woning en alle zorg overstijgende kosten van [de minderjarige] voor zijn rekening nemen. Het gerecht zal voorlopig aldus beslissen.
2.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

Het gerecht:
3.1.
stelt vastde volgende zorgregeling tussen de man en de minderjarige:
- [ de minderjarige] zal minimaal 10 dagen per maand met de man doorbrengen. Dit zal in goed overleg tussen partijen plaatsvinden;
- wanneer de man op Curaçao is brengt hij [de minderjarige] naar school en sportactiviteiten;
- [ de minderjarige] zal op de verjaardag van de man, Vaderdag en de verjaardag van oma en opa vaderszijde bij de man doorbrengen;
- in de even jaren zal [de minderjarige] haar verjaardag bij de man doorbrengen, in de oneven jaren bij de vrouw;
- in de even jaren zal [de minderjarige] de eerste helft van de schoolvakanties bij de man doorbrengen en de tweede helft bij de vrouw. In de oneven jaren zal dit andersom zijn;
- in de even jaren zal [de minderjarige] de eerste helft van de kerstvakantie bij de man doorbrengen en de tweede helft bij de vrouw. In de oneven jaren zal dit andersom zijn;
3.2.
bepaalt dat de man voorlopig aan de vrouw en met ingang van 1 april 2022, een bijdrage betaalt van NAf 2.000,- per maand, indien de vrouw na 1 april 2022 geen baan meer heeft en anders van NAf 1.500,- ter zake van de kosten van levensonderhoud van de vrouw en [de minderjarige] en dat de man de hypotheeklasten en onderhoudskosten van de echtelijke woning en alle zorg overstijgende kosten van [de minderjarige] zal betalen;
3.3.
verwijstde zaak naar de rolzitting van
dinsdag 31 mei 2022 om 8.30 uurvoor akte zijdens de man conform het overwogene onder r.o. 2.7;
3.4.
houdtiedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A.M Lasten, rechter, en op 13 mei 2022 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier
rs