ECLI:NL:OGEAC:2022:19
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verkrijging onroerend goed via onderhandse verkoop na conservatoir beslag afgewezen
Verzoekster legde conservatoir beslag op een onroerend goed van verweerder en verzocht het gerecht om toestemming voor onderhandse verkoop van het goed aan haar. Zij baseerde dit verzoek op een executoriale titel en stelde dat een onderhandse verkoop de hoogste opbrengst zou garanderen, mede vanwege hoge kosten van een executieveiling.
Verweerder verscheen niet, belanghebbende 2 verzette zich tegen het verzoek en stelde dat het goed voor een hogere prijs via openbare verkoop verkocht moet worden. Het gerecht oordeelde dat de wet (art. 3:268 lid 2 BW Pro en art. 548 Rv Pro) geen onderhandse verkoop van een beslagen onroerend goed toestaat, behalve met rechterlijke toestemming bij hypotheekhouder, wat hier niet het geval was.
Daarom ontbeerde het verzoek wettelijke grondslag en werd het afgewezen. Wel werd een voorwaardelijk gewijzigd verzoek toegestaan, waarbij verweerder en belanghebbenden worden opgeroepen voor een procedure om medewerking aan verkoop te verkrijgen. De zaak wordt verwezen naar een latere rol voor verdere behandeling.
Het gerecht wees ook op het gelijkheidsbeginsel onder schuldeisers bij executieopbrengst en corrigeerde een onjuiste opvatting van verzoekster over preferente betaling. De beschikking werd uitgesproken door rechter O. Nijhuis op 20 januari 2022.
Uitkomst: Het verzoek tot verkrijging van het onroerend goed via onderhandse verkoop werd afgewezen wegens het ontbreken van wettelijke grondslag.