ECLI:NL:OGEAC:2022:297

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
16 maart 2022
Publicatiedatum
31 oktober 2022
Zaaknummer
CUR202200318
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 LarArt. 7 LarHoofdstuk 5 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen vereenvoudigde niet-ontvankelijkverklaring bouwvergunning ongegrond verklaard

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een bouwvergunning, maar dit beroep werd door het Gerecht vereenvoudigd behandeld en niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroepsgronden waren ingediend, ondanks meerdere termijnen daarvoor.

Tegen deze beslissing tekende opposante verzet aan, stellende dat zij niet over het volledige dossier beschikte om gronden in te dienen en dat partijen vaker tegen elkaar procederen waardoor de standpunten bekend zijn. Het Gerecht beoordeelde in de verzetprocedure alleen of de vereenvoudigde behandeling terecht was toegepast.

Het Gerecht oordeelde dat opposante voldoende tijd en gedeeltelijk dossier had om gronden in te dienen en dat het ontbreken daarvan niet gerechtvaardigd was. Tevens wees het Gerecht op de verplichting van geopposeerde om belanghebbenden toegang te verlenen tot stukken indien zij belanghebbende zijn volgens de Lar.

De stelling dat algemene standpunten bekend zijn, vervangt niet het indienen van formele beroepsgronden. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van niet-ontvankelijkheid blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de vereenvoudigde niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de bouwvergunning is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

op het verzetschrift van:

de stichting [opposante],

gevestigd te Curaçao,
opposante,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez, advocaat,
in het geschil tussen opposante en

de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP),

geopposeerde,
gemachtigde: mr. G.N. Hollander, werkzaam bij het Ministerie van VVRP.

Procesverloop

Opposante heeft tegen de bouwvergunning die zou zijn verleend om op de locatie Marichi te kunnen bouwen, beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 17 januari 2022 niet-ontvankelijk verklaard (de uitspraak).
Daartegen heeft opposante verzet aangetekend.
Opposante is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 23 februari 2022 alwaar opposante zich heeft laten vertegenwoordigen door haar voorzitter [voorzitter], die is bijgestaan door haar gemachtigde. Geopposeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die is vergezeld door [legal assistant], legal assistant bij het Ministerie van VVRP.

Overwegingen

1. Het beroep van opposante is door het Gerecht vereenvoudigd behandeld, dat wil zeggen dat uitspraak is gedaan zonder behandeling van het beroep ter zitting. Dat kan het Gerecht onder andere doen als hij van oordeel is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Het Gerecht heeft in de uitspraak geoordeeld dat het beroep van opposante kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat zij in strijd met artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Lar geen gronden tegen de bouwvergunning heeft ingediend, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld.
2. In deze verzetprocedure dient slechts te worden beoordeeld of het Gerecht terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Het gaat uitsluitend om een beoordeling van de “kennelijkheid” van de door het Gerecht uitgesproken niet-ontvankelijkheid. “Kennelijk” wil in dit verband niet anders zeggen dan dat over de uitkomst van een beroep in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
3. Opposante heeft op 29 oktober 2021 een zogeheten ‘pro forma’ beroepschrift tegen de bouwvergunning ingediend. Dit beroepschrift bevatte de gronden van het beroep niet. Opposante heeft in het beroepschrift het Gerecht verzocht om haar een termijn te gunnen om de beroepsgronden in te dienen. Het Gerecht heeft opposante bij brief van 29 oktober 2021 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 26 november 2021 de gronden van het beroep in te dienen. Vervolgens heeft het Gerecht op verzoek van opposante deze termijn bij e-mailbericht van 23 december 2021 verlengd tot 6 januari 2022. Opposante heeft geen gronden ingediend en erkent dat ook.
4. In deze verzetprocedure voert opposante aan dat zij het Gerecht uitdrukkelijk had meegedeeld dat er nog stukken van het dossier nodig zijn om de gronden in te dienen. Van opposante kon daarom niet worden verwacht dat zij de gronden van het beroep kon formuleren. Verder voert opposante aan dat partijen vaker tegen elkaar procederen. Geopposeerde is daarom ook bekend met de algemene standpunten en zienswijzen van opposante. Het is juist het standpunt van geopposeerde dat hier ontbreekt. Het Gerecht kon onder deze omstandigheden het beroep van 29 oktober 2021 dus niet vereenvoudigd afdoen.
5. Het Gerecht ziet in wat opposante naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het Gerecht het beroep niet vereenvoudigd kon afdoen. Daargelaten dat opposante voor het verlopen van de verlengde termijn om gronden in te dienen niet om verlenging daarvan heeft verzocht, beschikte ze in ieder geval over een deel van het dossier. Op basis van dat dossier had van haar kunnen worden verwacht dat zij beroepsgronden zou indienen en had ze kunnen aanvoeren dat geopposeerde stukken aan haar heeft onthouden. Ze heeft niet toegelicht waarom zij dat niet heeft gedaan. Overigens geldt het volgende. Tijdens de behandeling van het verzet is gebleken dat geopposeerde van de onjuiste veronderstelling uitgaat dat hij niet bevoegd is om, anders dan in het kader van een beroepsprocedure bij het Gerecht, een door hem verleende bouwvergunning en de daarbij bijbehorende stukken aan een ander dan de vergunninghouder ter hand te stellen. Het Gerecht wijst geopposeerde erop dat hij bij een verzoek om kennisneming van een bouwvergunning en onderliggende stukken dient te beoordelen of de verzoekende (rechts)persoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Lar. Indien dat het geval is, is geopposeerde gehouden om de belanghebbende van bedoelde stukken kennis te laten nemen. De kennelijk gangbare praktijk dat een belanghebbende alleen via een Lob-verzoek of door het instellen van (pro forma) beroep kennis kan nemen van een verleende bouwvergunning en de daarbij behorende stukken is onwenselijk. Door hem deze stukken te onthouden belet geopposeerde dat de belanghebbende, die op grond van de Lar bezwaar of beroep mag in te stellen, inhoudelijke argumenten kan formuleren tegen de verleende bouwvergunning. Het moge duidelijk zijn dat de Lar voor een dergelijke inbreuk op de rechtsbescherming van burgers geen grondslag biedt.
5.1
Ook de stelling van opposante dat partijen vaker tegen elkaar procederen en om die reden de algemene standpunten en zienswijzen van opposant bij geopposeerde bekend zijn, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op grond van artikel 15, vijfde lid aanhef en onder c, van de Lar houdt het beroepschrift de gronden in waarop het beroep berust, waaronder het belang dat de indiener bij het beroep heeft, in. De algemene standpunten en zienswijzen van opposante die mogelijk bij geopposeerde bekend zijn kunnen niet als beroepsgronden in de zin van artikel 15, vijfde lid aanhef en onder c, van de Lar worden aangemerkt.
6. De slotsom is dat het verzet ongegrond is.

Beslissing

Het Gerecht
verklaarthet verzet
ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2022, in aanwezigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen
zes wekenna kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.