Uitspraak
[naam 1],
1.de naamloze vennootschap CENTRALE HYPOTHEEK BANK N.V.,
ENNIA CARIBE SCHADE N.V.,
1.Het procesverloop
2.De kern van de zaak
3.De feiten
ANG 483.292,-.“
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Eiser c.s. vorderden betaling van te veel betaalde premies voor hun brandverzekering bij Ennia, gebaseerd op te hoge herbouwwaardes en onjuiste premiepercentages. Zij stelden dat zij niet geïnformeerd waren over indexeringen en tariefwijzigingen, en dat CHB en Ennia aansprakelijk waren voor de vermeende te hoge premies.
De feiten tonen aan dat de brandverzekering in 2005 werd afgesloten met een herbouwwaarde van NAf 380.000,-, zoals overeengekomen en ondertekend door eiser. De premies zijn sindsdien geïndexeerd conform een indexeringsclausule in de polisvoorwaarden. CHB fungeerde als incassant en betaalde de premies aan Ennia. Ennia heeft een correctie doorgevoerd na een taxatie in 2020, waarbij een lagere herbouwwaarde en premie werden vastgesteld.
Het gerecht oordeelde dat de betalingen niet onverschuldigd waren omdat een rechtsgrond bestond in de verzekeringsovereenkomst. De stelplicht van eiser om ongerechtvaardigde verrijking aan te tonen is niet voldoende vervuld; CHB was slechts een doorgeefluik en Ennia was niet onrechtmatig verrijkt. Ook is geen zorgplichtschending vastgesteld omdat de indexeringsclausule onderdeel was van de overeenkomst en geen verplichting tot actieve informatieverstrekking bestond.
De vordering tot terugbetaling van NAf 28.375,42 werd daarom afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en nakosten van CHB en Ennia. Het vonnis werd uitgesproken door rechter O. Nijhuis op 12 december 2022.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van te veel betaalde brandverzekeringspremies wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.