Eiser verzocht de SVB om uitbetaling van ziekengeld, maar dit werd afgewezen omdat hij niet als werknemer in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering (Lv Zv) werd aangemerkt. De SVB baseerde zich daarbij op een civiel vonnis waarin was vastgesteld dat eiser gemiddeld 86,5 uur per maand werkte, wat onvoldoende was voor werknemerstatus.
Het Gerecht oordeelde echter dat de SVB niet zonder eigen onderzoek tot deze conclusie kon komen, omdat het civiele vonnis alleen tussen eiser en zijn werkgever geldt en de SVB geen partij was. Bovendien had de SVB eiser aanvankelijk als werknemer geregistreerd en ziekengeld uitbetaald, waardoor wijziging van die status zonder nader onderzoek onzorgvuldig was.
Het Gerecht stelde vast dat de SVB geen adequaat onderzoek had gedaan naar het aantal daadwerkelijk gewerkte uren en dat de door eiser overgelegde loonstroken erop wijzen dat hij mogelijk wel aan het vereiste van twaalf achtereenvolgende dagen werken voldeed. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de SVB opgedragen binnen vier maanden opnieuw te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.