Eisers hebben zes levensverzekeringen bij Fatum afgesloten en deze per 1 februari 2023 opgezegd met het verzoek om afkoop van de polissen. Fatum heeft een afkoopbedrag van NAf 131.437,91 betaald, maar eisers vorderen aanvullend NAf 62.652,09 wegens vermeende onterechte kosteninhoudingen. Eisers stellen dat zij recht hebben op restitutie van hun volledige inleg minus een redelijke vergoeding voor kosten, terwijl Fatum betoogt dat de kosten bij tussentijdse beëindiging volgens polisvoorwaarden en gebruikelijke verzekeringspraktijken in mindering worden gebracht.
Het gerecht oordeelt dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij recht hebben op het gevorderde aanvullende bedrag. Fatum heeft gemotiveerd toegelicht dat de kosten en overlijdensrisicopremies niet worden terugbetaald bij afkoop en dat de inhoudingen gebruikelijk zijn. Hoewel eisers recht hebben op een overzicht van de kosten, is het verschil tussen inleg en uitkering niet eenvoudig vast te stellen. De vordering voldoet niet aan de vereisten voor toewijzing in kort geding.
De vordering wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten. De discussie over de redelijkheid van de compliance-eisen van Fatum is voor de beslissing niet relevant.