In deze zaak vordert Botika Union de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder in het verzoek] wegens diefstal van een potje crème uit de winkel. Het gerecht oordeelt dat Botika Union onvoldoende heeft bewezen dat [verweerder in het verzoek] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, mede omdat niet is vastgesteld dat zij op de hoogte was van de interne regel dat producten niet in lockers mogen worden opgeborgen.
Het potje crème werd in de locker van [verweerder in het verzoek] aangetroffen, maar vaststaat dat zij het potje niet buiten de winkel heeft gebracht en dat het product door een klant was vergeten. Botika Union kon niet overtuigend aantonen dat het potje een ander product betrof dan dat van de klant. Het enkele feit dat het potje in de locker lag, rechtvaardigt volgens het gerecht geen ontslag op staande voet.
Het ontslag wordt daarom nietig verklaard en de arbeidsovereenkomst blijft van kracht. Botika Union verzoekt vervolgens om ontbinding op grond van dringende of gewichtige redenen, maar ook deze verzoeken worden afgewezen vanwege het ontbreken van een vertrouwensbreuk en de leeftijd van [verweerder in het verzoek].
In het zelfstandig tegenverzoek wordt Botika Union veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 16 november 2022 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke vertragingsrente. De proceskosten worden toegerekend aan Botika Union. Het gerecht wijst overige vorderingen af.