Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAC:2023:63

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
20 maart 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
CUR202202590
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Landsverordening Financieel BeheerArt. 3:39 BWArt. 40 lid 6 Landsverordening Comptabiliteit 2010
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-naleving schriftelijkheidsvereiste bij overeenkomst met het Land Curaçao

In deze zaak vordert eiseres betaling van NAf 112.000 van het Land Curaçao voor werkzaamheden verricht in het kader van een project. Eiseres stelt dat tussen haar en het Land een overeenkomst voor de duur van één jaar is gesloten, gebaseerd op offertes en mondelinge afspraken met ambtenaren. Het Land betwist het bestaan van een dergelijke overeenkomst en wijst op het schriftelijkheidsvereiste uit de Landsverordening Financieel Beheer, dat vereist dat opdrachten boven NAf 1.000 schriftelijk worden vastgelegd.

Het gerecht stelt vast dat er geen schriftelijke opdrachtbrief is verstrekt, ondanks dat betalingen zijn gedaan voor een periode van zes maanden. De mondelinge afspraken zijn niet bindend omdat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste, met als sanctie nietigheid van de overeenkomst volgens artikel 3:39 BW Pro. Daarnaast blijkt uit stukken dat het project een duur van zes maanden had en dat een langere duur niet is vastgelegd.

Het gerecht benadrukt dat het schriftelijkheidsvereiste dient ter bescherming van publieke middelen en dat ambtenaren die zonder schriftelijke opdracht handelen het risico lopen aansprakelijk gesteld te worden. Eiseres kan zich niet beroepen op mondelinge afspraken en de vordering wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering van eiseres wordt afgewezen wegens het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst met het Land Curaçao.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202202590
Vonnis van 20 maart 2023
inzake
[eiseres],
wonende in Curaçao,
eiseres,
gevolmachtigde: [gevolmachtigde],
tegen
DE OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en S.S. Vierbergen.
Partijen zullen hierna [eiseres] en het Land worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het inleidend verzoekschrift met producties, op 5 juli 2022 ter griffie ingediend;
  • de conclusie van antwoord van 17 oktober 2022;
  • de nadere producties van [eiseres];
  • de nadere producties van het Land.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2023 plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, bijgestaan door de [gevolmachtigde]. Namens het Land is verschenen de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), secretaris-generaal van het Ministerie van SOAW (hierna: SOAW), bijgestaan door mrs. Flocker en Vierbergen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader uiteengezet, [eiseres] aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet zijn betwist.
2.2. [
Eiseres] heeft in verband met het project “[projectnaam]” (hierna: het project) verschillende gesprekken gevoerd en mondelinge afspraken gemaakt met [naam ambtenaar] (hierna: [naam ambtenaar]).
2.3.
Op 20 augustus 2020 heeft [eiseres] een offerte opgestuurd naar SOAW, gericht aan [naam ambtenaar]. Op 13 augustus 2020 heeft [eiseres] een aangepaste offerte opgestuurd naar SOAW, opnieuw gericht aan [naam ambtenaar].
2.4. [
naam ambtenaar] en [naam ambtenaar] (hierna: [naam ambtenaar) zijn de budgethouders van SOAW.
2.5.
In een document genaamd ‘Projectomschrijving 2020
Vertaalslag beleidsnota naar de praktijk’ staat, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
[het document genaamd ‘Projectomschrijving 2020
Vertaalslag beleidsnota naar de praktijk’]
2.6.
Bij e-mailbericht van 21 februari 2022 heeft [naam 1] aan [eiseres] als volgt medegedeeld:
“(…) Athunto mi ta manda e bestelbon pa e enkargo pa e proyekto [projectnaam].
Ministerio di Finansas a aproba e fondonan pa e proyekto.
[naam ambtenaar] lo manda un opdrachtbrief ainda pa sra. E bestelbon aki ta e base pa kobra via resibu. (…)
2.7.
Op 6 januari 2021 is [eiseres] gestart met het project. Sindsdien heeft [eiseres] twee bestelbonnen, een bestelbon genummerd [bestelbonnummer] voor NAf 8.000 en een bestelbon genummerd [bestelbonnummer] voor NAf 36.000, ontvangen.
2.8.
Uit de WhatsApp berichten van 1 maart 2021 tussen [naam 1] en [eiseres]citeert het gerecht het volgende:
“[naam ambtenaar] [toevoeging rechter]: Kiko [naam ambtenaar] a bisa’bo?
(…)
[eiseres] [toevoeging rechter]: E la bisa ami ku e proyekto a keda aprobá pa 6 luna. (…)”
2.9. [
Eiseres] heeft voor de door haar verrichte werkzaamheden NAf 44.000 (2xNAf 4.000+4xNAf 8.000+0,5xNAf 8.000) uitbetaald gekregen.
2.10.
Bij brief van 27 juli 2021 aan SOAW, gericht aan [naam ambtenaar] heeft [eiseres] verzocht om verlenging van de projectperiode met zes maanden. Op die brief is door [naam ambtenaar] en/of het Land niet gereageerd.
2.11. [
Eiseres] heeft het Land bij brief van 4 april 2022 gesommeerd tot betaling van zes maanden vergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente en boete. Het Land heeft geen betalingen meer verricht.

3.Het geschil

3.1. [
Eiseres] vordert – kort samengevat – veroordeling van het Land tot betaling van NAf 112.000, met veroordeling van het Land in de proceskosten.
3.2. [
Eiseres] legt – kort gezegd – aan de vordering ten grondslag dat het Land niet heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot het project.
3.3.
Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Volgens [eiseres] is tussen haar en het Land een overeenkomst voor de duur van één jaar tot stand gekomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij twee offertes gericht aan SOAW, waarin een projectperiode van een jaar staat vermeld overgelegd. Voorts verwijst zij naar de gesprekken die zij met [naam ambtenaar] zou hebben gevoerd. Het Land heeft haar tot en met juni 2021, dus voor zes maanden, uitbetaald. Volgens [eiseres] is het Land haar loon over de resterende maanden – juli 2021 tot en met 31 december 2021– verschuldigd. Na het verloop van de eerste zes maanden van het project, die ook door het Land zijn uitbetaald, is zij door blijven werken. Door het overeengekomen loon niet uit te betalen, schiet het Land tekort in de nakoming van de overeenkomst.
4.4.
Het Land ontkent niet dat er meerdere gesprekken zijn gevoerd met [eiseres] over het project. Het Land ontkent ook niet dat [eiseres] naar aanleiding daarvan [naam ambtenaar] een offerte heeft doen toekomen. Het Land betwist echter dat tussen haar en [eiseres] een overeenkomst voor de duur van één jaar tot stand is gekomen. [Eiseres] is, nadat het budget voor het project voor de duur van maximaal zes maanden was goedgekeurd, gestart met het project. Dat de goedkeuring beperkt was tot zes maanden was steeds bekend bij [eiseres], volgens het Land. Conform afspraak heeft [eiseres] ook voor het werk verricht gedurende de goedgekeurde periode uitbetaald gekregen. Voor uitvoering van de werkzaamheden over een a[eiseres], zodat het Land niet gehouden is tot enige betaling aan haar.
4.5.
De vraag die thans ter beantwoording voorligt is of er een rechtsgeldige overeenkomst voor de duur van een jaar tussen partijen is gesloten, op grond waarvan het Land gehouden is tot betaling van enig bedrag aan [eiseres]. Deze vraag dient naar het oordeel van het gerecht ontkennend te worden beantwoord en daarvoor is het volgende redengevend. Ingevolge artikel 9 van Pro de Landsverordening Financieel Beheer dienen opdrachten tot het uitvoeren van werken of tot het doen van leveringen of dienstverrichtingen ten behoeve van het Land voor een bedrag groter dan NAf 1.000 steeds schriftelijk te worden verstrekt. Op grond van vorenbedoelde bepaling is er een vormvoorschrift verbonden aan de totstandkoming van een overeenkomst met het Land of het verstrekken van een opdracht door het Land. Uit de mail van [naam 1] gericht aan [eiseres] volgt ook dat ter formalisering van de gemaakte afspraken [naam ambtenaar] – de bij SOAW tot het verstrekken van opdrachtbrieven bevoegde persoon – nog een opdrachtbrief aan [eiseres] diende toe te sturen. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] een dergelijke opdrachtbrief nimmer heeft ontvangen.
4.6.
Geconcludeerd wordt dan ook dat er niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 9 van Pro de Landsverordening Financieel Beheer. De sanctie op het niet voldoen aan het schriftelijkheidsvereiste is nietigheid overeenkomstig de hoofdregel van artikel 3:39 BW Pro. [Eiseres] kan zich dus niet beroepen op enige mondelinge afspraken en kan aan enige mondelinge afspraken geen rechten ontlenen. Het schrifelijkheidsvereiste dient namelijk juist ter bescherming van de publieke middelen, tegen ambtenaren die te lichtvaardig toezeggingen doen en afspraken maken die het Land binden. Dit brengt met zich mee dat de rechtsgrond op basis waarvan [eiseres] nakoming vordert, namelijk een overeenkomst met het Land, niet vast is komen te staan. Het feit dat het Land, ondanks het ontbreken van de vereiste schriftelijke opdrachtbrief, betalingen aan [eiseres] heeft verricht maakt het voorgaande niet anders. De vordering zal daarom worden afgewezen. Daar komt nog bij dat het bestaan van een afspraak tussen [eiseres] en het Land dat het project zou zijn aangegaan voor de duur van een jaar, zoals gesteld door [eiseres], evenmin vast is komen te staan. Zo volgt uit de projectomschrijving gedateerd 15 oktober 2020, verschillende whatsapp gesprekken tussen [eiseres] en [naam 1] (van 1 maart 2021) en de brief van 27 juli 2021 van [eiseres] aan SOAW, dat het project een duur had van zes maanden en dat [eiseres] hier ook steeds van op de hoogte was. Dat een langere duur was toegezegd of sprake was van verlenging van het project, volgt nergens uit. Ook gelet daarop komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
4.7.
Ten overvloede overweegt het gerecht nog het volgende. Uit de stukken en de standpunten van partijen volgt, dat ook voor de projectperiode tot en met juni 2021 geen schriftelijke opdrachtbrief is verstrekt aan [eiseres]. Over die periode zijn wel betalingen verricht aan [eiseres] door het Land. Het gerecht benadrukt het in de wet verankerde schriftelijkheidsvereiste, dat juist dient ter bescherming van de publieke middelen. Afspraken en overeenkomsten die door ambtenaren met derden worden gesloten in strijd met dit wettelijke vereiste binden het Land niet. Echter, die ambtenaren lopen door aldus te handelen wel het risico aansprakelijk te worden gesteld voor door derden als gevolg van dat handelen geleden schade mocht het handelen van die ambtenaren als onrechtmatig worden beschouwd jegens die derden. Dit ontslaat burgers echter niet van hun eigen verantwoordelijkheid zich er steeds van te vergewissen dat als zij met het Land contracteren dit conform de wet geschiedt. Zij kunnen immers geen rechten ontlenen aan mondelinge afspraken en beloften, maar alleen aan schriftelijke afspraken aangegaan door personen die daartoe voldoende gemachtigd zijn overeenkomstig artikel 40 lid 6 van Pro de Landsverordening Comptabiliteit 2010.
4.8.
Het gerecht ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5.De beslissing

Het Gerecht:
5.1.
wijst de vordering van [eiseres] af;
5.2.
compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. Lasten, rechter, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2023.