Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAC:2024:147

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
16 juli 2024
Zaaknummer
CUR202400380
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 95 RvArt. 98 RvArt. 103b RvVerordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerecht verklaart zich onbevoegd in vordering onrechtmatige daad tegen buitenlandse gedaagde

Chipsoft B.V., een in Curaçao gevestigde vennootschap, vordert dat de gedaagde, woonachtig in Illinois, VS, wordt veroordeeld tot teruggeven van bedrijfsgegevens en toegang tot online accounts. Chipsoft stelt dat de gedaagde onrechtmatig handelt door de toegang te blokkeren, waardoor zij haar bedrijfsactiviteiten niet kan voortzetten.

De gedaagde voert verweer dat het gerecht in Curaçao niet bevoegd is omdat de schadetoebrengende handelingen in Illinois plaatsvinden en er onvoldoende aanknopingspunten zijn met Curaçao. Chipsoft betoogt dat als Curaçaose vennootschap het gerecht wel bevoegd is, omdat de schade hier wordt geleden.

Het gerecht stelt vast dat de hoofdregel van artikel 95 Rv Pro geen bevoegdheid geeft en dat op grond van artikel 98 Rv Pro slechts bevoegdheid bestaat als het schadebrengende feit of het intreden van de schade in Curaçao plaatsvindt. Uit jurisprudentie van het HvJEU volgt een restrictieve uitleg van het begrip ‘plaats van schade’. Het enkele feit dat Chipsoft in Curaçao is gevestigd, is onvoldoende om Curaçao als plaats van schade aan te merken.

Omdat de gedaagde in Illinois woont en werkt en de servers niet in Curaçao staan, is onvoldoende aannemelijk dat de schade concreet in Curaçao is ingetreden. Het gerecht verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt Chipsoft in de proceskosten.

Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd en wijst de vordering van Chipsoft af met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202400380
Vonnis in kort geding van 4 april 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap
CHIPSOFT B.V.,gevestigd in Curaçao,
eiseres,
gemachtigden: mrs. K.A. Doekhi en S. Terpstra,
tegen
[GEDAAGDE],
wonend in Naperville, Illinois (Verenigde Staten van Amerika),
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.F. van den Heuvel.
Partijen worden hierna Chipsoft en [gedaagde] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 5 februari 2024, met producties,
  • de op voorhand ingediende productie van [gedaagde],
  • de mondelinge behandeling van 27 maart 2024,
  • de pleitnotities.
1.2.
Vonnis is bepaald op 17 april 2024, maar wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.

2.De vordering en de standpunten van partijen

2.1.
Chipsoft vordert – samengevat – dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt tot:
I. het overdragen c.q. teruggeven aan Chipsoft van alle (online) (bedrijfs-) gegevens van of met betrekking tot Chipsoft die [gedaagde] onrechtmatig onder zich houdt,
II. het verschaffen aan Chipsoft van gebruikersnamen en toegangscodes alsmede onvoorwaardelijke toegang tot al haar eigen (online)accounts, cryptowallets, de chips.gg server en de websitecodering(en) van Chipsoft,
III. het aan Chipsoft overdragen c.q. teruggeven van alle overige door [gedaagde] onder zich gehouden gegevens en informatie van of met betrekking tot Chipsoft,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.
Chipsoft legt in de kern aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde], zonder enige bevoegdheid of toestemming daartoe, Chipsoft op onrechtmatige wijze heeft beroofd van haar eigen bedrijfsactiviteiten en daarbij haar activa heeft ontnomen. Ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, heeft [gedaagde] geweigerd Chipsoft de toegang tot de vennootschapsaccounts en bedrijfsgegevens van Chipsoft te verschaffen. Hierdoor kan Chipsoft niet geëxploiteerd en bestuurd worden met alle gevolgen van dien. [gedaagde] handelt derhalve onrechtmatig jegens Chipsoft.
2.3. [
gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert dat het gerecht zich onbevoegd verklaart, althans de vordering van Chipsoft afwijst, met veroordeling van Chipsoft in de proceskosten.

3.De beoordeling

3.1. [
gedaagde] voert als meest verstrekkend verweer aan dat het gerecht onbevoegd is om van de vordering van Chipsoft kennis te nemen. [gedaagde] heeft informatie onder zich en Chipsoft stelt dat hij die informatie ten onrechte blokkeert. Dat doet hij uiteraard in Illinois, waar hij woont en werkt. Het schadebrengende feit doet zich dus eerst voor in Illinois. Dat Chipsoft daar vervolgens in Curaçao niet bij kan, is hooguit een afgeleide daarvan en die creëert geen rechtsmacht. De handelingen, de schadebrengende feiten die Chipsoft [gedaagde] verwijt, hebben dus niet daadwerkelijk in Curaçao plaatsgevonden. Het gegeven dat Chipsoft een Curaçaose vennootschap is, creëert dus geen bevoegdheid van het gerecht. Er zijn in deze zaak onvoldoende aanknopingspunten met Curaçao, aldus steeds [gedaagde].
3.2.
Chipsoft voert daartegen aan dat zij een in Curaçao gevestigde vennootschap is. De vordering is gestoeld op het leerstuk onrechtmatige daad en de schade wordt hier in Curaçao geleden. Daarom is het gerecht volgens Chipsoft bevoegd om kennis te nemen van de vordering.
3.3.
Het gerecht stelt vast dat gedaagde zijn woonplaats in Naperville, Illinois in de Verenigde Staten van Amerika heeft, zodat de hoofdregel van artikel 95 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet leidt tot bevoegdheid van het gerecht.
3.4.
Op grond van artikel 98 Rv Pro is in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad tevens bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Deze bepaling komt overeen met artikel 6, aanhef en onder e van het Nederlandse Rv, dat op zijn beurt is ontleend aan (tegenwoordig) artikel 7, aanhef en onder 2 van Brussel I-bis [1] . Voor toepassing van artikel 98 Rv Pro kan daarom mede acht worden geslagen op de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie geeft aan het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’.
3.5.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ zowel ziet op de plaats van de schadeveroorzakend gebeurtenis (het Handlungsort) als op de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort).
3.6.
In het arrest Marinari/Lloyd’s Bank [2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort) niet zo ruim kan worden uitgelegd, dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Uit het arrest Kronhofer [3] blijkt dat de uitdrukking “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet ook de plaats omvat waar de verzoeker woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen. De bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van verzoeker is daarentegen gerechtvaardigd voor zover de woonplaats van de verzoeker inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade. [4] Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de plaats van het intreden van de schade de plaats is waar de beweerde schade zich concreet voordoet. [5]
3.7.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de aan hem verweten schadeveroorzakende handelingen vanuit Illinois heeft verricht, de staat waar [gedaagde] woont en werkt. Het Handlungsort is aldus niet in Curaçao, maar in de Verenigde Staten van Amerika gelegen. In het licht van voornoemde jurispru[gedaagde]ie, is het gerecht van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de plaats waar de schade is ingetreden, het “Erfolgsort”, Curaçao is. Het enkele feit dat Chipsoft in Curaçao is gevestigd en daarom (uiteindelijk) hier schade heeft geleden, is gelet op het restrictieve uitleg, niet voldoende om te concluderen dat Curaçao de plaats is waar de beweerde schade zich concreet voordoet. Het gerecht neemt daarbij in aanmerking dat [gedaagde] onbetwist heeft gesteld dat de chips.gg servers evenmin in Curaçao, maar in Guernsey staan. Gesteld noch gebleken is dus dat de schade van Chipsoft in Curaçao is ingetreden.
3.8.
Gelet op het voorgaande kan het gerecht aan artikel 98 Rv Pro derhalve geen bevoegdheid ontlenen om kennis te nemen van de vordering van Chipsoft.
3.9.
Bij deze stand van zaken biedt artikel 103b Rv, dat als regel van relatieve bevoegdheid bepaalt dat de rechter van de woonplaats van de eiser bevoegd is indien de bevoegdheid niet reeds op andere gronden is gegeven, onvoldoende grondslag voor het ‘distributie bepaalt attributie’-beginsel. Dat zou in het onderhavige geval leiden tot een rechtsmacht die als exorbitant en daarmee onaanvaardbaar moet worden beschouwd, temeer daar – anders de vestigingsplaats van Chipsoft – er onvoldoende aanknopingspunten zijn met de Curaçaose rechtssfeer.
3.10.
De slotsom is dat het gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Chipsoft jegens [gedaagde]. Dat leidt tot de beslissing zoals hierna onder de beslissing vermeld.
3.11.
Omdat Chipsoft in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde] worden tot aan deze uitspraak begroot op
NAf 1.500 aan gemachtigdensalaris.

4.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;
4.2.
veroordeelt Chipsoft in de proceskosten van [gedaagde] van NAf 1.500.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012.
2.Zie HvJEU 19 september 1995, zaak C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289.
3.HvJEU 10 juni 2004, zaak C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364.
4.Vgl. HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank).
5.HvJEU 12 september 2018, zaak C-304/17, ECLI:EU:C:2018:701.