ECLI:NL:OGEAC:2024:181

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
24 oktober 2024
Zaaknummer
CUR202403615
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 700 lid 3 BWArt. 705 lid 1 RvArt. 705 lid 2 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir derdenbeslag wegens ontbreken eis in hoofdzaak

Eiseressen, mede-eigenaren van een nalatenschap, vorderden de opheffing van een conservatoir derdenbeslag gelegd op aandelen in een BV waarvan zij bestuurder is. Het beslag was gelegd op verzoek van gedaagden voor een vordering van NAf 3.750.000, maar er was geen hoofdzaak aanhangig tegen de BV.

Het gerecht stelde vast dat het beslag niet aan de vereiste vormen voldeed en dat er geen eis in de hoofdzaak was ingesteld binnen de wettelijke termijn. De procedure tussen de kinderen over de nalatenschap betrof de BV als boedelbestanddeel, niet als partij, en kon niet leiden tot een veroordeling van de BV.

Daarom is het beslag vervallen en werd het opgeheven. Gedaagden werden veroordeeld in de proceskosten. De overige verweren en stellingen werden niet inhoudelijk behandeld omdat deze niet tot een andere beslissing konden leiden.

Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag op de BV wordt opgeheven wegens ontbreken van een eis in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202403615
Vonnis in kort geding van 23 oktober 2024
in de zaak van
[EISERESSEN SUB 1 T/M 3]
4. FREDERIK INVESTMENTS B.V.,
eiseressen sub 1 en 4 wonend en gevestigd in Curaçao,
eiseressen sub 2 en 3 wonend in Nederland
,
eiseressen,
gemachtigde: mr. E. Bokkes,
--tegen—
[GEDAAGDEN SUB 1 T/M 3],
allen wonend in Curaçao
,
gedaagden,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift met producties van 18 september 2024,
  • de producties van mr. Henriquez,
  • de op 15 oktober 2024 per mail toegestuurde producties,
  • de mondelinge behandeling van 16 oktober 2024, waar aanwezig waren: eisers, bijgestaan door mr. Bokkes, en namens gedaagden mr. Henriquez,
  • de pleitnotities.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
a. a) Eiseressen 2 en 3 en gedaagden zijn tezamen deelgenoten in de nalatenschappen van hun ouders. Over de verdeling daarvan zijn zij al jaren in geschil en wordt veelvuldig geprocedeerd.
b) Tot de nalatenschap behoren de (certificaten in) aandelen in eiseres sub 4, hierna ‘de BV’. Eiseres sub 1 is de enig bestuurder van de BV.
c) Op 8 maart 2024 is door gedaagden rechterlijk verlof gevraagd en verkregen voor conservatoir derdenbeslag onder Orco Bank N.V. ten laste van de BV voor een op NAf 3.750.000 begrote vordering. Bij proces-verbaal van diezelfde dag is op verzoek van gedaagden het vergunde beslag gelegd (voor NAf 348.769,40), met daarbij de aanzegging dat de eis in de hoofdzaak binnen vier weken na het beslag aanhangig zal worden gemaakt bij dit gerecht.

3.De vordering

Eiseressen vorderen primair de opheffing van het ten laste van de BV gelegde beslag, en subsidiair een bevel tot opheffing.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang hoeft niet bij opheffingskortgeding
4.1.
Spoedeisendheid van de vordering is voor een opheffingskortgeding als hier aan de orde niet vereist (artikel 705 lid 1 Rv Pro). Het daarop betrekking hebbend verweer van gedaagden slaagt dus niet. Het voor elke rechtsvordering vereiste belang (artikel 3:303 BW Pro) bij de vordering, is bij een vordering tot opheffing van een beweerdelijk onrechtmatig beslag op een vermogensbestanddeel van de eiser in de regel, en ook hier, zonder meer aanwezig. In aanvulling daarop hebben eiseressen nog aangevoerd dat de BV dringend betalingen moet doen, waaronder betalingen aan gedaagden sub 2 en 3 van NAf 50.000 voor ieder van hen.
Belang mede-eiseressen
4.2.
De vordering van eiseressen richt zich slechts op het ten laste van de BV gelegd beslag, niet ook op het ten laste van de andere eiseressen gelegd beslag. Dat brengt echter niet mee dat die andere eiseressen niet in hun vordering kunnen worden ontvangen. Zij hebben, mede gelet op hun gerechtigdheid in de nalatenschap waarvan de (certificaten van) aandelen in de BV deel uitmaken en gelet op de hierna te noemen beslissing van het Hof in de verdelingsprocedure, er voldoende belang bij om naast de BV als eisende partij op te treden.
Voorgeschreven vormen
4.3.
Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv Pro wordt een beslag onder meer opgeheven bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Eiseressen hebben zich op goede grond op het standpunt gesteld dat hiervan sprake is.
Geen eis in de hoofdzaak
4.4.
Het belangrijkste gebrek - en daarmee houdt het voor dit beslag al op - is dat geen sprake is van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 BW Pro. Vaststaat dat er na het beslagverlof geen zaak tegen de BV aanhangig is gemaakt. Evenmin was er (anders dan het beslagrekest vermeldt) al een hoofdzaak aanhangig. De zaak waarnaar gedaagden in dit verband verwijzen is de verdelingszaak tussen de vijf kinderen (eiseressen 2 en 3 en gedaagden) met zaaknummer CUR201500988 – CUR2019H00414. De BV is in die verdelingszaak weliswaar betrokken, maar als object, als boedelbestanddeel, niet als partij, en die procedure zal niet kunnen leiden tot een veroordeling van de BV tot betaling aan gedaagden. Daar komt bij dat in het beslagrekest geen grondslag is gegeven voor enig vorderingsrecht van gedaagden als schuldeisers op de BV als schuldenaar. Ook in het verweer van gedaagden in dit kort geding is dat niet gebeurd. De stelling van gedaagden ter zitting dat ‘door de BV heen moet worden gekeken’ is daarvoor in dit verband onvoldoende. De overgelegde uitspraken van het Hof bieden voor die stelling – althans in het kader van deze beslagkwestie, in de context van de verdeling van de boedel kan dat anders zijn – geen steun. Dit alles brengt met zich dat het beslag ingevolge artikel 700 lid 3 laatste Pro zin inmiddels is vervallen. Duidelijkheidshalve zal het beslag bij dit vonnis worden opgeheven.
Slotsom en kosten
4.5.
Beslist zal worden als hierna omschreven. De overige stellingen van eiseressen en verweren van gedaagden behoeven geen bespreking en kunnen niet tot een andere beslissing leiden. Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
5.1.
heft op het op 8 maart 2024 op verzoek van eiseressen onder Orco Bank N.V. ten laste van de BV gelegd conservatoir derdenbeslag;
5.2.
veroordeelt gedaagden in de aan de zijde van eiseressen gerezen proceskosten, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierecht, Naf 373,50 aan oproepingskosten en NAf 1.500 voor salaris gemachtigde;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door M.D.M. Connor, griffier, en in het openbaar uitgesproken.