De moeder verzocht de Curaçaose rechter om machtiging om namens haar minderjarige kind verschillende onroerende goederen uit de nalatenschap van de overleden vader te verkopen en tevens om goedkeuring voor het opnemen van een maandelijkse bijdrage uit de nalatenschap ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De rechter beoordeelde eerst zijn rechtsmacht. Op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechter van de laatste woonplaats van de overledene bevoegd voor nalatenschapszaken, en de rechter van de woonplaats van de minderjarige voor verzoeken betreffende de minderjarige zelf. Omdat de vader in Curaçao woonde, is de Curaçaose rechter bevoegd voor het machtigingsverzoek tot verkoop van nalatenschapsgoederen. Voor het verzoek tot maandelijkse bijdrage, omdat de minderjarige in Nederland woont, is de rechter in Curaçao onbevoegd.
De rechter verleende machtiging aan de moeder om namens de minderjarige twee percelen grond te verkopen onder de voorwaarde dat het aandeel van de minderjarige wordt gestort op een bankrekening met een BEM-clausule. Het verzoek om verhuur van een ander registergoed werd afgewezen omdat verhuur een gewone beheersdaad is en geen machtiging vereist.
Het verzoek tot goedkeuring van het opnemen van een maandelijkse bijdrage uit de nalatenschap werd afgewezen wegens onbevoegdheid van de Curaçaose rechter. De moeder wordt verwezen naar de Nederlandse rechter voor dit verzoek.
De beschikking werd op 26 juni 2025 in het openbaar uitgesproken door rechter D.W.J. Vinkes.