ECLI:NL:OGEAC:2025:196

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
13 augustus 2025
Publicatiedatum
10 september 2025
Zaaknummer
CUR202502708
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.M. Martinez
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake standplaatsvergunningen op Playa Daaibooi

In deze uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster, DAAIBOOI BEACH RESTAURANT N.V., had de minister van Economische Ontwikkeling verzocht om handhavend op te treden tegen commerciële activiteiten van derden op het toeristische gedeelte van Playa Daaibooi en om de aan de coöperatie KPD verleende standplaatsvergunningen te vernietigen. De minister had eerder het verzoek tot intrekking van de vergunning afgewezen, wat leidde tot het indienen van een beroep door verzoekster.

Het Gerecht oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Verzoekster heeft weliswaar schade en hinder ondervonden van de activiteiten van KPD, maar heeft niet aangetoond dat de uitvoering van de bestreden beschikking onomkeerbare nadelige gevolgen voor haar heeft. Het Gerecht concludeert dat de gestelde omstandigheden niet zodanig zijn dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De beslissing van de minister om de vergunning niet in te trekken blijft daarmee in stand.

De uitspraak benadrukt dat het Gerecht geen kennis kan nemen van verzoeken die niet specifiek betrekking hebben op KPD, en dat de minister niet verantwoordelijk is voor de handhaving van fiscale verplichtingen van KPD. De beslissing is openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025, en er kan geen hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak
op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen:

de naamloze vennootschap DAAIBOOI BEACH RESTAURANT N.V.,

gevestigd in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J.H. Schmitz, advocaat,
en

de minister van Economische Ontwikkeling,

verweerder,
hierna: de minister,
gemachtigde: mr. M. Hammoud, advocaat,
met als derde belanghebbende:

de coöperatie KOÖPERATIVE PISKADONAN di DAAIBOOI,

hierna: KPD.

Inleiding

1.1
Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot het opdragen van het Land Curaçao om handhavend op te treden tegen commerciële activiteiten van derden op het toeristische gedeelte van Playa Daaibooi en om de aan KPD en andere rechtspersonen verleende standplaatsvergunningen te vernietigen.
1.2
Verzoekster heeft de minister bij brief van 5 februari 2025 verzocht om de aan KPD verleende standplaatsvergunning in te trekken of ten minste per direct over te gaan tot strenge handhaving van de vergunningsvoorwaarden.
1.3
De minister heeft bij beschikking van 4 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek tot intrekking van de standplaatsvergunning van KPD afgewezen en het verzoek tot handhaving deels gegrond verklaard.
1.4
Verzoekster heeft daartegen op 18 juli 2025 beroep (CUR202502707) ingesteld bij het Gerecht en een voorlopige voorziening verzocht (CUR202502708).

Overwegingen

2. In deze uitspraak beslist het Gerecht op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Dit oordeel van het Gerecht heeft een voorlopig karakter en bindt het Gerecht in de bodemzaak niet.
3. Het Gerecht zal met toepassing van het derde lid, van artikel 87, van de Lar beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening zonder partijen eerst ter zitting te horen. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het verzoek afgewezen moet worden vanwege gebrek aan spoedeisend belang en legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

4.1
Verzoekster beschikt over een vestigingsvergunning en exploiteert een snackbar op het strand Playa Daaibooi. Naast verzoekster voeren ook andere ondernemers, onder wie KPD, commerciële activiteiten uit op het strand. KPD beschikt over een standplaatsvergunning voor de verkoop van etenswaren en alcoholvrije dranken op het zogeheten vissersgedeelte van Playa Daaibooi.
4.2
Verzoekster heeft, nadat zij kennis had genomen van de op 2 maart 2023 aan KPD verleende vaste standplaatsvergunning, bij brief van 5 februari 2025 aan de minister verzocht om deze vergunning met onmiddellijke ingang in te trekken. Daarnaast heeft zij verzocht om in ieder geval per direct over te gaan tot strikte handhaving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden. Volgens verzoekster handelt KPD namelijk in strijd met de voorwaarden van de verleende standplaatsvergunning. Zo zou KPD commerciële activiteiten ontplooien op het toeristische strandgedeelte, strandstoelen verhuren, bouwwerken op het strand hebben geplaatst, de mobiliteitsvoorwaarde niet naleven en zonder toestemming concurrerende producten verkopen. Verzoekster heeft de minister ook verzocht om, in samenwerking met de daartoe bevoegde instanties, te onderzoeken of KPD voldoet aan al haar fiscale verplichtingen.
Wat heeft verweerder aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd?
5. De minister heeft bij de bestreden beschikking het verzoek tot intrekking van de aan KPD verleende standplaatsvergunning afgewezen. Aan deze afwijzing heeft de minister, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de vergunning rechtmatig is verleend en dat de enkele constatering van een overtreding van de vergunningsvoorwaarden niet zonder meer leidt tot intrekking van de vergunning. Het verzoek om handhavend op te treden is deels gegrond verklaard. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de MEO op 12 januari 2025 en op 28 en 29 juni 2025 controles heeft uitgevoerd op Playa Daaibooi, waarbij geen overtredingen van de vergunningsvoorwaarden door KPD zijn vastgesteld. Wel is geconstateerd dat op het strand een ongecontroleerde situatie is ontstaan ten aanzien van de verhuur en plaatsing van strandstoelen door meerdere partijen. MEO heeft aangegeven hierop actief te blijven controleren en handhavend te zullen optreden indien strandstoelen of andere objecten zonder vergunning of buiten de vergunde oppervlakte worden geplaatst. In dat kader merkt de minister op dat ook verzoekster een standplaatsvergunning zal moeten aanvragen voor het verhuren van strandstoelen. Van schending van exploitatierechten is volgens de minister geen sprake, nu aan verzoekster geen exclusieve exploitatierechten zijn toegekend. Ten aanzien van het plaatsen van permanente constructies op het strand merkt de minister op dat het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (VVRP) daarvoor de bevoegde instantie is. Wat betreft de naleving van fiscale verplichtingen stelt de minister zich op het standpunt dat deze niet onder zijn verantwoordelijkheid valt, maar onder die van het Ministerie van Financiën, dan wel van de Inspectie der Belastingen of de Ontvanger van Curaçao.
Wat is het standpunt van verzoekster?
6. Het verzoek strekt ertoe dat het Gerecht een voorlopige voorziening treft waarbij het Gerecht bepaalt dat:

1. MEO niet tot vergunningverlening aan de KPD kon overgaan.
2.
Op grond van wettelijke bepalingen de aan de KPD en andere rechtspersonen verleende standplaatsvergunning wordt vernietigd;
3.
Het Land Curaçao (MEO) op te dragen binnen 14 dagen:

feitelijk handhavend op te treden tegen commerciële activiteiten van derden (KPD, Enver Olaria, Trade Boedhai B.V.) op het toeristisch strandgedeelte van Playa Daaibooi;

MEO erkent en handhaaft dat standplaatsvergunningen, voor zover zij in overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn verleend uitsluitend van toepassing zijn op de in de vergunning opgenomen ruimtelijke beperking;
4.
Indien het Land Curacao nalaat binnen de door het Gerecht gestelde termijn uitvoering te geven aan de voorlopige voorzieningen, het Land Curacao een dwangsom verbeurt van XCG 5.000,- per dag, met een maximum van XCG 250.000,-, voor iedere dag dat het Land Curacao in gebreke blijft.
6.1.
Verzoekster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de minister ten onrechte een standplaatsvergunning aan KPD heeft verleend. Immers, volgens artikel 3, tweede lid, van de Regeling standplaats- en ventvergunningen kan een vergunning uitsluitend worden verleend aan natuurlijke personen van achttien jaar en ouder. KPD is echter een rechtspersoon, en voldoet daarmee niet aan dit vereiste. Zij stelt als gevolg hiervan schade te hebben geleden in de vorm van gederfde inkomsten over een reeks van jaren. Daarnaast stelt verzoekster dat de minister in de bestreden beschikking bevestigt dat het verhuren van strandmeubilair en het plaatsen van vaste, verankerde constructies op of nabij het strand niet is toegestaan. De minister had volgens verzoekster gelet hierop direct handhavend moeten optreden.
Welke wettelijke bepalingen zijn in deze zaak van belang?
7. Bij de beoordeling van het verzoek zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
7.1
Op grond van het eerste lid, van artikel 85, van de Lar kan op verzoek van de indiener van het beroepschrift onderscheidenlijk de bezwaarde, een beschikking waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, of waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt als bedoeld in hoofdstuk 4, geheel of gedeeltelijk door het Gerecht worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel als in de eerste volzin bedoeld.
7.2
Op grond van artikel 86, van de Lar beslist het Gerecht in raadkamer met spoed op het verzoek, na het horen, althans na behoorlijke schriftelijke oproeping daartoe, van alle partijen of hun gemachtigden.
7.3
Op grond van het derde lid van artikel 87, van de Lar kan het Gerecht op het verzoek beslissen met terzijdestelling van artikel 86 indien het Gerecht van oordeel is dat partijen er niet door in hun belangen worden geschaad.
Is sprake van spoedeisend belang?
8. Het Gerecht stelt voorop dat hij, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking, geen kennis kan nemen van de verzoeken om de aan derden verleende standplaatsvergunningen te vernietigen, noch van de verzoeken om verweerder op te dragen handhavend op te treden tegen commerciële activiteiten van andere partijen dan KPD op het toeristisch gedeelte van Playa Daaibooi. Immers, de minister heeft, zoals uit overweging 5 volgt, bij de bestreden beschikking uitsluitend beslist op de verzoeken om handhavend op te treden tegen KPD en om de standplaatsvergunning van KPD in te trekken. Om die reden heeft het Gerecht uitsluitend KPD als derde belanghebbende aangemerkt in deze procedure.
9. De eerste vraag die het Gerecht gezien het eerste lid van artikel 85, van de Lar moet beantwoorden is of verzoekster spoedeisend belang heeft bij de door haar verzochte voorlopige voorziening. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
9.1
Verzoekster stelt dat zij spoedeisend belang heeft bij de door haar verzochte voorziening omdat zij al vier jaar ernstige hinder en schade ondervindt door exploitanten zoals KPD die commerciële activiteiten ontplooien te Playa Daaibooi, in strijd met de locaties vermeld op hun vergunning. De situatie escaleert volgens verzoekster voortdurend en leidt tot omzetderving, bedreiging, verstoring van haar bedrijfsvoering, vervuiling op het strand en reputatieschade. Daar komt bij dat volgens verzoekster de minister blijft weigeren om effectief handhavend op te treden.
9.2
Het Gerecht overweegt dat de door verzoekster gestelde schade vanwege inkomstenderving op zichzelf onvoldoende is om spoedeisend belang aan te nemen. Daarvoor is vereist dat de uitvoering van de bestreden beschikking onomkeerbare nadelige gevolgen heeft voor verzoekster, zoals een dreigend faillissement of acute financiële nood. Verzoekster heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.
9.3
Verzoekster heeft verder weliswaar gesteld dat de situatie regelmatig escaleert en leidt tot reputatieschade, bedreigingen, vervuiling op het strand en verstoring van haar bedrijfsvoering. Zij heeft echter onvoldoende toegelicht dat en waarom de gestelde omstandigheden tot zodanig onevenredig nadeel voor haar leiden dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ook hierin ziet het Gerecht dus geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Conclusie en gevolgen

10. De slotsom is dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang daartoe. Aan een voorlopig oordeel van de rechtmatigheid van de bestreden beschikking of een afweging van de belangen van de betrokken partijen komt het Gerecht dan ook niet toe.
11. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht:
-
wijsthet verzoek om voorlopige voorziening
af.
Aldus gegeven door mr. N.M. Martinez, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025 te Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld
.