AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot vermindering ontnemingsbedrag na gewijzigde ontnemingsbeslissing medeverdachte
Op 31 maart 2025 diende de veroordeelde via zijn advocaat een verzoek in op grond van artikel 634 SvPro tot vermindering van het ontnemingsbedrag dat in 2019 onherroepelijk was vastgesteld op NAf 738.896,51. Dit verzoek was gebaseerd op een gewijzigde ontnemingsbeslissing in de zaak van zijn medeverdachte, waarbij het Hof na cassatie de ontnemingsperiode aanzienlijk had verkort en het bedrag verlaagd tot NAf 348.825,60.
Tijdens de zitting op 8 september 2025 stelde de verdediging dat deze gewijzigde situatie een nieuwe omstandigheid vormde die rechtvaardigde dat het ontnemingsbedrag van de verzoeker werd verminderd. De officier van justitie betoogde dat deze omstandigheden niet binnen de reikwijdte van artikel 634 SvPro vielen en het verzoek daarom moest worden afgewezen.
Het Gerecht overwoog dat artikel 634 SvPro slechts toepassing vindt bij nieuwe of later bekend geworden omstandigheden die zich na de onherroepelijke beslissing voordoen. De gewijzigde ontnemingsbeslissing van de medeverdachte, die zelf rechtsmiddelen had benut, vormt geen nieuwe omstandigheid voor de verzoeker. Het verzoek betrof feitelijk een hernieuwde beoordeling van de oorspronkelijke ontnemingsgrondslag, wat niet binnen artikel 634 SvPro past.
Daarom wees het Gerecht het verzoek af en bevestigde het de ontnemingsverplichting zoals eerder vastgesteld. De beschikking werd op 15 september 2025 door rechter Y.C. Bours gewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vermindering van het ontnemingsbedrag wordt afgewezen.
Uitspraak
Parketnummer: 800.00012/25
Op 31 maart 2025 is door advocaat mr. P.C. Janssen een verzoekschrift ingediend als bedoeld in artikel 634 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van de veroordeelde:
[ Naam verzoeker] (hierna: verzoeker)
geboren op [geboortedatum],
domicilie kiezende: [adres].
VERLOOP VAN DE PROCEDURE:
Op 31 maart 2025 is door advocaat mr. P.C. Janssen een verzoekschrift ingediend als bedoeld in artikel 634 SvPro ( bijlage 1). In de kern houdt haar verzoek in om het in de onherroepelijke ontnemingsbeslissing van het Gerecht in eerste aanleg van 27 september 2019 vastgestelde bedrag van NAf 738.896,51 te verminderen naar NAf 57.390,02. De verdediging heeft haar verzoek op de volgende wijze onderbouwd.
Medeverdachte van verzoeker, te weten [medeverdachte], is op 27 september 2019 eveneens door het Gerecht in eerste aanleg veroordeeld voor dezelfde feiten als verzoeker. [Medeverdachte] is vervolgens in hoger beroep en in cassatie gegaan. In cassatie is onder meer geklaagd over het oordeel van het Hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door [medeverdachte] is verkregen door middel van of uit de baten van de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, terwijl de periode waarin de drie feiten volgens de bewezenverklaring plaatsvonden, een kortere periode bestreek dan de periode waarin dat wederrechtelijk verkregen voordeel naar het oordeel van het Hof is verkregen.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 oktober 2023 de bestreden uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak naar het Hof terugverwezen, opdat de zaak van [medeverdachte] opnieuw zou worden behandeld.
De zaak is door het Hof opnieuw behandeld en bij ontnemingsbeslissing van 6 februari 2025 heeft het Hof in de zaak van [medeverdachte] de ontnemingsbeslissing van 27 september 2019 van het Gerecht in eerste aanleg vernietigd en een ontnemingsmaatregel opgelegd, waarbij de bewezenverklaarde periode van (alleen) feit 4 tot uitgangspunt is genomen, namelijk de periode van 1 maart 2015 tot en met 6 juli 2015. Dit betrof een (aanzienlijk) kortere periode dan de periode die eerder door het Gerecht in eerste aanleg als uitgangspunt was genomen bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In de zaak van [medeverdachte] werd het ontnemingsbedrag vervolgens door het Hof vastgesteld op NAf 348.825,60 (door het Gerecht in eerste aanleg was een bedrag van NAf 4.491.130,57 als ontnemingsbedrag vastgesteld in de zaak van [medeverdachte]).
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemd arrest van de Hoge Raad en de ontnemingsbeslissing van het Hof van 6 februari 2025 in de zaak van [medeverdachte], omstandigheden zijn die maken dat de rechter ex artikel 634 SvPro de bevoegdheid heeft om het eerder vastgestelde ontnemingsbedrag in de zaak van verzoeker te verminderen. Het betreft immers exact hetzelfde feitencomplex als dat van verzoeker.
Het verzoekschrift is op 8 september 2025 behandeld door de rechter, mr. Y.C. Bours, bijgestaan door de griffier, mr. L. Witte. Eveneens waren aanwezig de verzoeker, zijn raadsvrouw, voornoemd, en de officier van justitie, mr. W.J. de Graaf.
Mr. Janssen heeft namens verzoeker medegedeeld de inhoud van haar verzoekschrift te handhaven. In aanvulling op haar verzoekschrift deelde de raadsvrouw mede dat de grondslag voor de ontnemingsbelissing van het Hof van 6 februari 2025 in de zaak van [medeverdachte] dusdanig anders is geworden, waardoor een onaanvaardbaar verschil is ontstaan tussen de ontnemingsbeslissing van [medeverdachte] en die van verzoeker. Dit betreft volgens mr. Janssen een nieuwe omstandigheid ex artikel 634 lid 4 SvPro waardoor het ontnemingsbedrag in de zaak van verzoeker door de rechter kan worden verminderd. Verzoeker deelde desgevraagd mede dat het Gerecht in eerste aanleg in zijn zaak een ontnemingsbedrag heeft vastgesteld dat niet klopt.
De officier van justitie heeft zich tijdens de behandeling van het verzoekschrift – in de kern – op het standpunt gesteld dat voornoemde omstandigheid niet onder de reikwijdte van artikel 634 SvPro valt. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
BEOORDELING:
Het Gerecht overweegt als volgt.
Artikel 634 SvPro is een voorziening in de executiefase van een ontnemingsbeslissing en biedt de rechter de mogelijkheid tot vermindering of kwijtschelding van het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag. De rechter mag dit doen, indien nieuwe of pas later bekend geworden omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer uitsluitend een beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden die de ontnemingsrechter reeds in zijn oordeel heeft betrokken, vormen deze feiten en omstandigheden geen grond voor een vermindering of kwijtschelding van het bedrag van de betalingsverplichting (vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:970). Het doel van de regeling is blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie de billijkheid in de executie: het voorkomen dat iemand in onredelijke mate wordt belast door gewijzigde omstandigheden die zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan.
Het Gerecht stelt voorop dat in het onderhavige geval van verzoeker de ontnemingsbeslissing onherroepelijk is. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, komt er kortgezegd op neer dat de schatting van het voordeel door de rechter in zijn eigen zaak – achteraf bezien – onjuist is geweest. Immers, in de zaak van [medeverdachte] is – naar terugwijzing door de Hoge Raad – de grondslag voor de ontnemingsbelissing van het Hof van 6 februari 2025 gewijzigd, terwijl de bewezenverklaarde feiten in de zaak van [medeverdachte] en die van verzoeker precies hetzelfde zijn.
Hoewel het Gerecht invoelbaar vindt dat verzoeker de ontstane situatie onredelijk acht, is het Gerecht desalniettemin van oordeel dat artikel 634 SvPro de rechter niet de bevoegdheid biedt om het ontnemingsbedrag te matigen of zelfs kwijt te schelden, vanwege het feit dat bij een medeveroordeelde – die anders dan verzoeker wel gebruikt heeft gemaakt van de beschikbare rechtsmiddelen – anders is beslist. Deze omstandigheid is naar het oordeel van het Gerecht geen nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 634 lid 4 SvPro. Het verzoek strekt feitelijk tot een hernieuwde beoordeling van de grondslag van de ontnemingbeslissing, hetgeen buiten de reikwijdte van de in artikel 634 SvPro neergelegde regeling valt. Voornoemd betoog betreft als het ware een verkapt rechtsmiddel tegen de ontnemingsbeslissing. Daarvoor is artikel 634 SvPro niet bedoeld, nu het strafprocesrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent.
Het Gerecht komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat het verzoek tot vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag dient te worden afgewezen.
BESLISSING:
Het Gerecht:
- wijst af het verzoek van de veroordeelde tot vermindering van de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting.
Deze beschikking is gegeven op 15 september 2025 door de rechter mr. Y.C. Bours, bijgestaan door de griffier mr. L. Witte.