2.3.De deskundige heeft – nadat partijen hebben gereageerd op de concept rapportage – een definitief deskundigenbericht uitgebracht. De vragen zijn als volgt door de deskundige beantwoord:
1.
Beschikt u over voldoende informatie om een medisch oordeel te geven over de behandelingen die [eiseres] in juni 2020 en daarna heeft ondergaan?
Op basis van de aangeleverde stukken kan ik een medisch oordeel geven.
2.
Kunt u aangeven of de ingreep die [gedaagde 2] op 17-06-2020 heeft verricht, is verricht volgens de op het moment van de ingreep geldende professionele standaard en/of gangbare inzichten, opvattingen en gebruiken in de beroepsgroep?
De ingreep heeft plaatsgevonden volgens de professionele standaard op dat moment. Betrokkene is preoperatief door een internist gezien, zie brief d.d. 09-04-2020. De medische voorgeschiedenis van betrokkene vermeldde, behoudens een ijzergebreksanemie en hypertensie, geen bijzonderheden, derhalve was er geen reden om aanvullende preoperatieve maatregelen te treffen (referentie 1).
3.
Is de na de ingreep ontstane hydronefrose het gevolg van onzorgvuldig medisch handelen van [gedaagde 2] gedurende de ingreep op 17-06-2020? Kunt u daarbij ingaan op de vraag of de ureter is geraakt tijdens de ingreep op 17-06-2020? Zo ja, kunt u vanuit uw expertise aangegeven tot welke consequentie dit heeft geleid.
De incidentie van ureterletsel bij een laparoscopische uterusextirpatie is: 0.02-0.4%, waarbij vaak een herstelingreep nodig is (referentie 1). De vraag is of er bij betrokkene
wel sprake geweest van een ureterletsel. Symptomen hiervan zijn flankpijn, koorts of incontinentie. Het feit is dat er geen laparotomie nodig is geweest om eventueel de ureter te herstellen. Er was sprake van een licht hydronefrose graad I-II van de linkernier, die vaker gezien wordt na een gynaecologische operatie, maar ook bijvoorbeeld in of na een zwangerschap, waarbij spontaan herstel kan optreden. In dit geval kreeg betrokkene een dubbel J catheter, waarna het probleem opgelost was en er een normale nierfunctie was. Het is dus geen ureterletsel geweest, maar er is dus wel hydronefrose opgetreden, wat vaker optreedt na een gynaecologische operatie. In 2021 is een studie gepubliceerd, (referentie 2), die dat aantoont; bij 9.5% van de patiënten trad hydronefrose graad I-II op binnen 3 dagen na de niet-gecompliceerde operatie; bij 5.7% was dit nog aanwezig na 7 dagen en bij één (0.27%) patiënte na 28 dagen. Bij geen enkele patiënte was er sprake van ureterletsel. Deze studie toont aan dat asymptomatische voorbijgaande hydronefrose kan optreden na een eenvoudige totale hysterectomie, ondanks dat er geen duidelijk ureterletsel is tijdens de operatie. De hydronefrose is dus niet het gevolg van onzorgvuldig medisch handelen van Dr. [gedaagde 2] gedurende de ingreep op 17-06-2020.
Ook in een eerdere studie uit 2013 werd voorbijgaande hydronefrose na een ongecompliceerde uterusextirpatie beschreven (referentie 3). In deze retrospectieve studie was de incidentie van hydronefrosis 57% binnen 3 dagen na een ongecompliceerde ueterusextirpatie. Geen van de patiënten had aanvullende onderzoeken of ingrepen nodig. Dit kan gezien worden als voorbijgaande hydronefrose, zonder consequenties. De oorzaak is de operatie zelf, waarbij oedeem leidt tot milde hydronefrose.
Als door de operatie van [gedaagde 2] een hechting door de ureter was gelegd, dan zou de hydronefrose als gevolg daarvan niet verdwenen zijn, en was een re-operatie noodzakelijk geweest. Wel is er een dubbel J catheter geplaatst, om de urine afvloed te bevorderen. Plaatsing van een dubble J catheter is een procedure die vaginaal via de urthra plaatsvindt. Het verwijderen van deze catheter is soms niet nodig omdat deze er spontaan uit kan vallen. Het feit dat de nierfunctie en de urinelediging bij betrokkene nu normaal zijn, zie brief uroloog Isa d.d. 24-01-2023, en het feit dat er geen bijzonderheden zijn en het advies is om een echo nieren te laten verrichten over drie jaar (in verband met angiolipoom), bevestigt dat er geen restschade is.
4. Kunt u vanuit uw expertise aangeven of er een verband is tussen de angiolipoom op
de bovenpool van de linker nier en de hydronefrose?
In de literatuur is geen informatie te vinden tussen een mogelijke relatie van angiolipoom van de nier en hydronefrose. Een angiolipoom (of angiomyolipoom) is een angiolipoom, die goedaardig (niet-kwaadaardig) is en die bestaat uit vetweefsel, gladde spieren en bloedvaten. Deze komen het meest voor in de nieren, maar kunnen ook elders in het lichaam voorkomen. Angiolipomen worden vaak bij toeval ontdekt tijdens medische beeldvorming voor andere aandoeningen. In de meeste gevallen veroorzaken ze geen symptomen en hoeven ze niet behandeld te worden. De exacte oorzaak van angiolipomen is niet goed bekend, maar genetische aanleg kan een rol spelen. Er zijn geen bekende infectieuze of omgeving gebonden oorzaken. Het lijkt hier dan ook een toevalsbevinding.
In de brief van Dr. Isa d.d. 27-01-2021 schrijft hij niets over de angiomyolipoom, ook niet in zijn brief d.d. 06-07-2020, waarin de IVP beschreven is. In zijn brief d.d. 24-01-2023 staat dat hij op een IVP in juli 2020 is gezien, daarbij schrijft hij ook: waarschijnlijk oedeem of littekenweefsel.
Op 30-08-2020 werd deze angiolipoom gezien op de echo; op echo 18-08-2022 is deze onveranderd van grootte (Redina Ljumanovic, MD). In een brief van 24-01-2023 meldt Dr. Isa dat er geen bijzonderheden zijn en is het advies een echo nieren over drie jaar.
Een echo van 13-06-2025 laat een onveranderd beeld zien van de angiomyolipoom, deze is nog steeds 9 mm.
5. Wat is uw oordeel over het handelen van [gedaagde 2] postoperatief? Is deze in lijn met de professionele standaard? Wilt u daarbij specifiek ingaan op de wijze waarop [gedaagde 2] heeft gereageerd op de klachten die [eiseres] op 22-062020 en 03-07-2020 bij (de praktijk van) [gedaagde 2] heeft geuit?
De hydronefrose had niet kunnen worden voorkomen, maar deze had wel eerder vastgesteld kunnen worden, waardoor betrokkene destijds wellicht minder klachten had ervaren. Aangezien de nierfunctie nu normaal is, heeft dit aan de uitkomst op langere termijn niets veranderd.
Betrokkene is op 17-06-2020 geopereerd. Op vrijdag 26-06 (negen dagen na de operatie) werd zij door gynaecoloog [gedaagde 2], door wie zij geopereerd is, gezien in verband met buikpijnklachten, die als de gebruikelijke postoperatieve klachten zijn geïnterpreteerd. Zij kreeg antibiotica. Op 03-07 is zij weer gezien in verband met klachten van gasvorming en buikpijn. Zij had ondertussen op 30-06 de huisarts geconsulteerd, die een echoscopisch onderzoek geïndiceerd vond, waarbij een lichte hydronefrose links graad I-II vastgesteld werd (Dr. Azueg Hong). Er is toen een afwachtend beleid gevoerd.
Op 03-07 werd er wederom een echoscopisch onderzoek verricht door Jepke de Betg, MD; de conclusie luidde minimale hydronefrose links, mogelijk verkleving distale ureter, verder geen bijzonderheden. Op 03-07 bezocht zij ook de gynaecoloog. Op 06-07 vonden er wederom onderzoeken plaats, aangevraagd door de huisarts, en is zij verwezen naar uroloog Isa, die haar dezelfde dag gezien heeft. Er vond een CT IVP plaats die een lichte hydronefrose en hydro-ureter links liet zien, waarschijnlijk door oedeem, onderzoek door PMT Pattynama.
Betrokkene werd opgenomen van 07-07 tot 08-07 2020 voor cystoscopie en inbrengen dubbel J catheter. Zij werd dus op 06-07, negentien dagen na de operatie, door de huisarts naar de uroloog verwezen, die een indicatie stelde voor een dubbel J catheter. De vraag is dus of dat eerder had gemoeten. Echter, gezien de eerder genoemde literatuur is een hydronefrose geen ongebruikelijke bevinding, die lang niet altijd behandeling behoeft. Voor de langere termijn heeft deze verstreken periode van negentien dagen geen consequenties, aangezien er geen restschade is.
Zowel op 30-06 als op 03-07 is zij door de huisarts gezien en zijn er echo’s verricht en is er een afwachtend beleid gevoerd. Opmerkelijk is dat [gedaagde 2] niet geïnformeerd lijkt te zijn geweest van deze bevindingen, noch door de huisarts, noch door betrokkene. Dat heeft hem de kans niet gegeven om betrokkene in dit proces te begeleiden. Anderzijds had hij meer aandacht aan de klachten kunnen geven en aanvullend onderzoek kunnen doen, zodat hijzelf de leiding in dit proces had gehad. Dat had nogmaals voor de langere termijn niets uitgemaakt.
In het rapport van neuropsycholoog drs. S. Ebecilio d.d. 14-07-2023 en notitie van 12-08-2024 staat dat een fout bij de operatie de oorzaak is van haar mentale klachten; het is mij niet duidelijk welke fout hier bedoeld wordt. Er is hier sprake van een milde complicatie na een uterusextirpatie, die vaker voorkomt bij dergelijke operaties en die restloos genezen is, zie brief Dr. Isa, uroloog dd. 27-01-2021. Het rapport gaat uit van een relatie met de operatie en haar mentale klachten op dat moment, het is echter ook mogelijk dat betrokkene in het verleden situaties heeft meegemaakt die mede hebben bijgedragen aan de beschreven klachten. In het rapport wordt beschreven, op 14-07-2023, dat haar relatie beëindigd zou zijn als direct gevolg van de fout waardoor problemen op gebied van intimiteit; op 31-07-2023 heeft zij zich gewend tot Dr. Chrisiaan in verband met dyspareunie, zie overzicht van alle consulten van Dr. Chrisiaan tussen 2020 en 2023 (20250515132717302.pdf).
6. Kunnen de klachten die [eiseres] thans ervaart (pijn in de onderrug, pijn in haar buik, en pijn in de bovenbil die uitstraalt naar het linkerbeen) het gevolg zijn van de hydronefrose of de wijze waarop [gedaagde 2] nazorg heeft verleend?
De operatie vond inmiddels vijf jaar geleden plaats, de hydronefrose is mild geweest en geheel verdwenen, dus de hydronefrose kan niet van invloed zijn op de huidige klachten van betrokkene.
7. Heeft u nog andere op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van deze casus van belang zijn?
Ik heb geen andere op- of aanmerkingen.
Bruikbaarheid van het deskundigenrapport