ECLI:NL:OGEAC:2025:288

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
CUR202300278
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens geen fout arts bij postoperatieve complicatie

Eiseres vordert schadevergoeding wegens vermeende medische fout door gynaecoloog tijdens een hysterectomie in juni 2020 en nalatigheid in de nazorg. Het gerecht benoemde een deskundige die concludeerde dat de ingreep volgens professionele standaard is uitgevoerd en dat de hydronefrose een bekende, milde en voorbijgaande complicatie is die niet het gevolg is van onzorgvuldig handelen.

De deskundige rapporteerde dat er geen ureterletsel was en dat de hydronefrose volledig was hersteld zonder restschade. Hoewel de nazorg sneller had kunnen plaatsvinden, had dit geen invloed op de huidige klachten van eiseres. Eiseres bracht ook een verwijt in dat zij onvoldoende was geïnformeerd over risico’s, maar dit werd als te laat ingebracht en buiten beschouwing gelaten.

Het gerecht oordeelde dat gedaagde niet onrechtmatig heeft gehandeld en wees de vorderingen af. Eiseres werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en deskundigenkosten aan gedaagden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens ontbreken van onzorgvuldig medisch handelen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202300278
Vonnis van 8 december 2025
in de zaak van
[Eiseres],wonende in [woonplaats],
eiseres,
gemachtigden: voorheen mrs. S.I. Da Costa Gomez en C.A. Peterson, thans procederend in persoon,
tegen

1.de naamloze vennootschapACU-MED INTERNATIONAL N.V.,

2.
[Gedaagde 2],
gevestigd respectievelijk wonend in [woonplaats],
gedaagden,
gemachtigde: mr. S.J.C. Anthonio,
met als voegende partij
de naamloze vennootschap
NATIONAL GENERAL INSURANCE CO. (NAGICO) N.V.,
gevestigd in Curaçao,
gevoegde partij,
gemachtigde: mr. S.J.C. Anthonio.
De eisende partij wordt hierna [eiseres] genoemd. De gedaagde partijen en de gevoegde partij worden hierna afzonderlijk ACU-MED, [gedaagde 2] en Nagico genoemd en gezamenlijk aangeduid als gedaagden.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 10 maart 2025;
  • het conceptrapport van de deskundige op 4 juli 2025;
  • de reactie van gedaagden op het conceptrapport op 6 augustus 2025;
  • de reactie van [eiseres] op het conceptrapport;
  • de reactie van de deskundige op de brief van [eiseres] op 12 augustus 2025;
  • de definitieve rapportage van de deskundige op 25 augustus 2025;
  • de akte uitlating na deskundigenbericht en akte uitlating eindafrekening op 29 september 2025 aan de zijde van beide partijen;
  • de antwoordakte aan de zijde van beide partijen op 27 oktober 2025.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
Het gerecht blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de eerdere tussenvonnissen.
2.2.
Het gerecht heeft bij tussenvonnis van 10 maart 2025 Medisch Advies Bureau Letselschade & Gezondheidsrecht B.V. als deskundige benoemd ter beantwoording van de in dat tussenvonnis vermelde vragen.
Het definitieve deskundigenbericht
2.3.
De deskundige heeft – nadat partijen hebben gereageerd op de concept rapportage – een definitief deskundigenbericht uitgebracht. De vragen zijn als volgt door de deskundige beantwoord:
1.
Beschikt u over voldoende informatie om een medisch oordeel te geven over de behandelingen die [eiseres] in juni 2020 en daarna heeft ondergaan?
Op basis van de aangeleverde stukken kan ik een medisch oordeel geven.
2.
Kunt u aangeven of de ingreep die [gedaagde 2] op 17-06-2020 heeft verricht, is verricht volgens de op het moment van de ingreep geldende professionele standaard en/of gangbare inzichten, opvattingen en gebruiken in de beroepsgroep?
De ingreep heeft plaatsgevonden volgens de professionele standaard op dat moment. Betrokkene is preoperatief door een internist gezien, zie brief d.d. 09-04-2020. De medische voorgeschiedenis van betrokkene vermeldde, behoudens een ijzergebreksanemie en hypertensie, geen bijzonderheden, derhalve was er geen reden om aanvullende preoperatieve maatregelen te treffen (referentie 1).
3.
Is de na de ingreep ontstane hydronefrose het gevolg van onzorgvuldig medisch handelen van [gedaagde 2] gedurende de ingreep op 17-06-2020? Kunt u daarbij ingaan op de vraag of de ureter is geraakt tijdens de ingreep op 17-06-2020? Zo ja, kunt u vanuit uw expertise aangegeven tot welke consequentie dit heeft geleid.
De incidentie van ureterletsel bij een laparoscopische uterusextirpatie is: 0.02-0.4%, waarbij vaak een herstelingreep nodig is (referentie 1). De vraag is of er bij betrokkene
wel sprake geweest van een ureterletsel. Symptomen hiervan zijn flankpijn, koorts of incontinentie. Het feit is dat er geen laparotomie nodig is geweest om eventueel de ureter te herstellen. Er was sprake van een licht hydronefrose graad I-II van de linkernier, die vaker gezien wordt na een gynaecologische operatie, maar ook bijvoorbeeld in of na een zwangerschap, waarbij spontaan herstel kan optreden. In dit geval kreeg betrokkene een dubbel J catheter, waarna het probleem opgelost was en er een normale nierfunctie was. Het is dus geen ureterletsel geweest, maar er is dus wel hydronefrose opgetreden, wat vaker optreedt na een gynaecologische operatie. In 2021 is een studie gepubliceerd, (referentie 2), die dat aantoont; bij 9.5% van de patiënten trad hydronefrose graad I-II op binnen 3 dagen na de niet-gecompliceerde operatie; bij 5.7% was dit nog aanwezig na 7 dagen en bij één (0.27%) patiënte na 28 dagen. Bij geen enkele patiënte was er sprake van ureterletsel. Deze studie toont aan dat asymptomatische voorbijgaande hydronefrose kan optreden na een eenvoudige totale hysterectomie, ondanks dat er geen duidelijk ureterletsel is tijdens de operatie. De hydronefrose is dus niet het gevolg van onzorgvuldig medisch handelen van Dr. [gedaagde 2] gedurende de ingreep op 17-06-2020.
Ook in een eerdere studie uit 2013 werd voorbijgaande hydronefrose na een ongecompliceerde uterusextirpatie beschreven (referentie 3). In deze retrospectieve studie was de incidentie van hydronefrosis 57% binnen 3 dagen na een ongecompliceerde ueterusextirpatie. Geen van de patiënten had aanvullende onderzoeken of ingrepen nodig. Dit kan gezien worden als voorbijgaande hydronefrose, zonder consequenties. De oorzaak is de operatie zelf, waarbij oedeem leidt tot milde hydronefrose.
Als door de operatie van [gedaagde 2] een hechting door de ureter was gelegd, dan zou de hydronefrose als gevolg daarvan niet verdwenen zijn, en was een re-operatie noodzakelijk geweest. Wel is er een dubbel J catheter geplaatst, om de urine afvloed te bevorderen. Plaatsing van een dubble J catheter is een procedure die vaginaal via de urthra plaatsvindt. Het verwijderen van deze catheter is soms niet nodig omdat deze er spontaan uit kan vallen. Het feit dat de nierfunctie en de urinelediging bij betrokkene nu normaal zijn, zie brief uroloog Isa d.d. 24-01-2023, en het feit dat er geen bijzonderheden zijn en het advies is om een echo nieren te laten verrichten over drie jaar (in verband met angiolipoom), bevestigt dat er geen restschade is.
4. Kunt u vanuit uw expertise aangeven of er een verband is tussen de angiolipoom op
de bovenpool van de linker nier en de hydronefrose?
In de literatuur is geen informatie te vinden tussen een mogelijke relatie van angiolipoom van de nier en hydronefrose. Een angiolipoom (of angiomyolipoom) is een angiolipoom, die goedaardig (niet-kwaadaardig) is en die bestaat uit vetweefsel, gladde spieren en bloedvaten. Deze komen het meest voor in de nieren, maar kunnen ook elders in het lichaam voorkomen. Angiolipomen worden vaak bij toeval ontdekt tijdens medische beeldvorming voor andere aandoeningen. In de meeste gevallen veroorzaken ze geen symptomen en hoeven ze niet behandeld te worden. De exacte oorzaak van angiolipomen is niet goed bekend, maar genetische aanleg kan een rol spelen. Er zijn geen bekende infectieuze of omgeving gebonden oorzaken. Het lijkt hier dan ook een toevalsbevinding.
In de brief van Dr. Isa d.d. 27-01-2021 schrijft hij niets over de angiomyolipoom, ook niet in zijn brief d.d. 06-07-2020, waarin de IVP beschreven is. In zijn brief d.d. 24-01-2023 staat dat hij op een IVP in juli 2020 is gezien, daarbij schrijft hij ook: waarschijnlijk oedeem of littekenweefsel.
Op 30-08-2020 werd deze angiolipoom gezien op de echo; op echo 18-08-2022 is deze onveranderd van grootte (Redina Ljumanovic, MD). In een brief van 24-01-2023 meldt Dr. Isa dat er geen bijzonderheden zijn en is het advies een echo nieren over drie jaar.
Een echo van 13-06-2025 laat een onveranderd beeld zien van de angiomyolipoom, deze is nog steeds 9 mm.
5. Wat is uw oordeel over het handelen van [gedaagde 2] postoperatief? Is deze in lijn met de professionele standaard? Wilt u daarbij specifiek ingaan op de wijze waarop [gedaagde 2] heeft gereageerd op de klachten die [eiseres] op 22-062020 en 03-07-2020 bij (de praktijk van) [gedaagde 2] heeft geuit?
De hydronefrose had niet kunnen worden voorkomen, maar deze had wel eerder vastgesteld kunnen worden, waardoor betrokkene destijds wellicht minder klachten had ervaren. Aangezien de nierfunctie nu normaal is, heeft dit aan de uitkomst op langere termijn niets veranderd.
Betrokkene is op 17-06-2020 geopereerd. Op vrijdag 26-06 (negen dagen na de operatie) werd zij door gynaecoloog [gedaagde 2], door wie zij geopereerd is, gezien in verband met buikpijnklachten, die als de gebruikelijke postoperatieve klachten zijn geïnterpreteerd. Zij kreeg antibiotica. Op 03-07 is zij weer gezien in verband met klachten van gasvorming en buikpijn. Zij had ondertussen op 30-06 de huisarts geconsulteerd, die een echoscopisch onderzoek geïndiceerd vond, waarbij een lichte hydronefrose links graad I-II vastgesteld werd (Dr. Azueg Hong). Er is toen een afwachtend beleid gevoerd.
Op 03-07 werd er wederom een echoscopisch onderzoek verricht door Jepke de Betg, MD; de conclusie luidde minimale hydronefrose links, mogelijk verkleving distale ureter, verder geen bijzonderheden. Op 03-07 bezocht zij ook de gynaecoloog. Op 06-07 vonden er wederom onderzoeken plaats, aangevraagd door de huisarts, en is zij verwezen naar uroloog Isa, die haar dezelfde dag gezien heeft. Er vond een CT IVP plaats die een lichte hydronefrose en hydro-ureter links liet zien, waarschijnlijk door oedeem, onderzoek door PMT Pattynama.
Betrokkene werd opgenomen van 07-07 tot 08-07 2020 voor cystoscopie en inbrengen dubbel J catheter. Zij werd dus op 06-07, negentien dagen na de operatie, door de huisarts naar de uroloog verwezen, die een indicatie stelde voor een dubbel J catheter. De vraag is dus of dat eerder had gemoeten. Echter, gezien de eerder genoemde literatuur is een hydronefrose geen ongebruikelijke bevinding, die lang niet altijd behandeling behoeft. Voor de langere termijn heeft deze verstreken periode van negentien dagen geen consequenties, aangezien er geen restschade is.
Zowel op 30-06 als op 03-07 is zij door de huisarts gezien en zijn er echo’s verricht en is er een afwachtend beleid gevoerd. Opmerkelijk is dat [gedaagde 2] niet geïnformeerd lijkt te zijn geweest van deze bevindingen, noch door de huisarts, noch door betrokkene. Dat heeft hem de kans niet gegeven om betrokkene in dit proces te begeleiden. Anderzijds had hij meer aandacht aan de klachten kunnen geven en aanvullend onderzoek kunnen doen, zodat hijzelf de leiding in dit proces had gehad. Dat had nogmaals voor de langere termijn niets uitgemaakt.
In het rapport van neuropsycholoog drs. S. Ebecilio d.d. 14-07-2023 en notitie van 12-08-2024 staat dat een fout bij de operatie de oorzaak is van haar mentale klachten; het is mij niet duidelijk welke fout hier bedoeld wordt. Er is hier sprake van een milde complicatie na een uterusextirpatie, die vaker voorkomt bij dergelijke operaties en die restloos genezen is, zie brief Dr. Isa, uroloog dd. 27-01-2021. Het rapport gaat uit van een relatie met de operatie en haar mentale klachten op dat moment, het is echter ook mogelijk dat betrokkene in het verleden situaties heeft meegemaakt die mede hebben bijgedragen aan de beschreven klachten. In het rapport wordt beschreven, op 14-07-2023, dat haar relatie beëindigd zou zijn als direct gevolg van de fout waardoor problemen op gebied van intimiteit; op 31-07-2023 heeft zij zich gewend tot Dr. Chrisiaan in verband met dyspareunie, zie overzicht van alle consulten van Dr. Chrisiaan tussen 2020 en 2023 (20250515132717302.pdf).
6. Kunnen de klachten die [eiseres] thans ervaart (pijn in de onderrug, pijn in haar buik, en pijn in de bovenbil die uitstraalt naar het linkerbeen) het gevolg zijn van de hydronefrose of de wijze waarop [gedaagde 2] nazorg heeft verleend?
De operatie vond inmiddels vijf jaar geleden plaats, de hydronefrose is mild geweest en geheel verdwenen, dus de hydronefrose kan niet van invloed zijn op de huidige klachten van betrokkene.
7. Heeft u nog andere op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van deze casus van belang zijn?
Ik heb geen andere op- of aanmerkingen.
Bruikbaarheid van het deskundigenrapport
2.4.
Het gerecht zal allereerst beoordelen of het rapport, mede gelet op het door [eiseres] daartegen geuite bezwaar, kan worden gebruikt bij de verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak.
2.5.
De bevindingen van een door het gerecht benoemde deskundige zijn in beginsel leidend bij de verdere beoordeling van de zaak. Een dergelijk rapport dient op zorgvuldige wijze tot stand te zijn gekomen. De motivering en conclusies van de deskundige moeten deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens. Het uitgangspunt, dat het rapport leidend is voor de verdere beoordeling kan uitzondering leiden indien die motivering ondeugdelijk is of indien er sprake is van andere zwaarwegende en steekhoudende bezwaren ten aanzien van de wijze van totstandkoming of de inhoud van het rapport.
2.6.
Vooropgesteld wordt dat de deskundige inzichtelijk heeft gemaakt op grond van welke medische informatie het onderzoek is uitgevoerd en bij het beantwoorden van de vragen is verwezen naar diverse referenties. Dat gedaagden (mogelijk) de reactie van [eiseres] op het conceptrapport hebben gezien, maakt niet dat het definitieve deskundigenrapport niet op goede gronden tot stand is gekomen. Dat geldt temeer nu uit het schrijven van de deskundige op de reactie van [eiseres] op het conceptrapport volgt dat zij blijft bij haar eerdere conclusies en niet overgaat tot correctie. Dat de deskundige, zoals [eiseres] aanvoert, zich heeft laten leiden door degene die de rekening betaalt blijkt nergens uit. Bovendien gaat het om het betalen van het voorschot en wordt in de (onderhavige) eindbeschikking beslist wie wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige. Het gerecht is gelet op het bovenstaande van oordeel dat niet is gebleken dat het deskundigenonderzoek niet op onafhankelijke en objectieve gronden tot stand is gekomen zoals [eiseres] aanvoert. Het bezwaar van [eiseres] slaagt dan ook niet.
2.7.
Ten aanzien van het bezwaar van [eiseres] dat het operatieverslag van 17 juni 2020 niet zou zijn overhandigd aan de deskundige, constateert het gerecht dat de deskundige heeft gerapporteerd over voldoende informatie te beschikken om een medisch oordeel te geven over de behandelingen die [eiseres] in juni 2020 en daarna heeft ondergaan. Ook volgt uit het rapport dat onderdeel van de relevante medische informatie het operatieverslag betrof. In voormelde reactie van de deskundige op de brief van [eiseres] heeft de deskundige bovendien te kennen gegeven het operatieverslag te hebben gelezen, en daarbij vermeld wat ter zake in dat verslag staat. Het bezwaar van [eiseres] treft dan ook geen doel.
2.8.
Ten slotte heeft [eiseres] aangevoerd dat in het tussenvonnis van 10 maart 2025 staat dat [gedaagde 2] de Curaçaose protocollen dient te overhandigen en uit het deskundigenrapport niet volgt dat dit is gebeurd. Het gerecht constateert dat dit inderdaad niet duidelijk is, maar is van oordeel dat dit niet maakt dat niet kan worden uitgegaan van de conclusies die worden getrokken in het deskundigenrapport. Hiervoor is redengevend dat de deskundige heeft gerapporteerd dat de ingreep heeft plaatsgevonden volgens de professionele standaard op dat moment. Er dient ervan uit te worden gegaan dat de deskundige hierbij in aanmerking heeft genomen dat de ingreep in Curaçao heeft plaatsgevonden en acht heeft geslagen op de ter lande geldende standaarden. Bovendien hebben gedaagden erop gewezen dat de specialisten in Curaçao, zoals [gedaagde 2], conform internationale standaarden werken ter zake van de operatie in kwestie die gelijkluidend zijn als de standaarden in Nederland. Ook dit bezwaar van [eiseres] tegen het deskundigenrapport zal worden gepasseerd.
2.9.
De conclusie van het bovenstaande is dat naar het oordeel van het gerecht geen sprake is van een ondeugdelijke motivering of van zwaarwegende steekhoudende formele of inhoudelijke bezwaren. Het gerecht komt dan ook toe aan de inhoudelijke beoordeling van het deskundigenbericht.
Inhoudelijk
2.10. [
eiseres] verwijt [gedaagde 2] een fout te hebben gemaakt tijdens de operatie op 17 juni 2020 door bij het hechten de ureter te beschadigen. Daarnaast verwijt zij [gedaagde 2] dat hij nalatig heeft gehandeld bij de nazorg door de pijnklachten van [eiseres] niet serieus te nemen en geen grondig onderzoek daarnaar te doen. Gedaagden betwisten dat sprake is van een medische fout of anderszins verwijtbaar onzorgvuldig handelen.
2.11. [
eiseres] heeft in haar antwoordakte op 27 oktober 2025 gesteld dat zij [gedaagde 2] ook verwijt dat hij haar niet op duidelijke wijze en onvolledig heeft geïnformeerd over de te verwachten gevolgen en risico’s van een hysterectomie en als zij deze informatie wel had gehad, zij ervoor had gekozen om de ingreep niet te laten plaatsvinden. Het gerecht is van oordeel dat dit verwijt gelet op de stand van de procedure tardief is opgeworpen en in strijd is met de goede procesorde en zal daarom het (nieuwe) verwijt verder buiten beschouwing laten.
2.12.
Ten aanzien van de inhoud van het deskundigenrapport overweegt het gerecht als volgt. Uit de bevindingen van de deskundige volgt onder meer dat er geen ureterletsel is geweest, maar er wel hydronefrose is opgetreden en dat dat vaker optreedt na aan gynaecologische operatie. Ook rapporteert de deskundige dat het ontstaan van de hydronefrose niet het gevolg is van onzorgvuldig medisch handelen van [gedaagde 2] gedurende de ingreep op 17 juni 2020. Als [gedaagde 2] tijdens de operatie een hechting door de ureter had gelegd was de hydronefrose als gevolg daarvan niet verdwenen, maar was een re-operatie noodzakelijk geweest, aldus de deskundige. De deskundige rapporteert ook dat de hydronefrose mild is geweest en is verdwenen.
2.13.
Ten aanzien van de vragen rondom het handelen van [gedaagde 2] na de operatie heeft de deskundige gerapporteerd dat de hydronefrose niet voorkomen had kunnen worden, maar wel eerder had kunnen worden vastgesteld waardoor [eiseres] wellicht minder klachten had ervaren. Tevens volgt uit de bevindingen dat dit aan de uitkomst op langere termijn niets had veranderd omdat de nierfunctie van [eiseres] nu normaal is.
2.14.
Verder volgt uit de rapportage dat de hydronefrose en de wijze waarop [gedaagde 2] nazorg heeft verleend niet van invloed kunnen zijn op de klachten die [eiseres] thans ervaart (pijn in de onderrug, pijn in de buik en pijn in de bovenbil die uitstraalt naar het linkerbeen).
2.15.
Op basis van het deskundigenbericht is het gerecht van oordeel dat niet komt vast te staan dat [gedaagde 2] niet de zorg in acht heeft genomen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Er is geen ureterletsel vastgesteld, de hydronefrose is aangemerkt als een complicatie en kan niet van invloed zijn op klachten die [eiseres] thans ervaart. Ten aanzien van het door [gedaagde 2] uitgevoerde postoperatief optreden is weliswaar gerapporteerd dat hij sneller had kunnen handelen, maar ook dat dit op langere termijn niets had veranderd en ook geen invloed heeft gehad op de thans door [eiseres] ervaren klachten. De conclusie van het bovenstaande is dat het gerecht van oordeel is dat [gedaagde 2] niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en dat daarom de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.
Medisch tuchtcollege
2.16.
Voor zover [eiseres] heeft aangevoerd dat zij het gerecht verzoekt om de zaak (ook) aan het medisch tuchtcollege voor te leggen, merkt het gerecht op dat het gerecht hiertoe niet kan overgaan omdat dit een aparte procedure is die [eiseres] zelf dient te starten.
Proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad
2.17. [
eiseres] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van gedaagden vergoeden. De proceskosten aan de zijde van ACU-MED en [gedaagde 2] gezamenlijk, worden begroot op Cg 4.375 aan gemachtigdensalaris (3,5 punten [1] x tarief 5 ad 1.250 per punt).
2.18.
Het gerecht ziet aanleiding om de proceskosten aan de zijde van Nagico te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
De deskundigenkosten
2.19.
Ook de deskundigenkosten - die door gedaagden zijn voorgeschoten - komen voor rekening van [eiseres] als de in het ongelijk te stellen partij. De deskundige heeft twee facturen gestuurd van in totaal een bedrag van EUR 4.446,75 (EUR 2.940,30 + EUR 1.506,45). Aangezien het door de deskundige in rekening gebrachte bedrag vanwege de tweede factuur hoger is dan het in eerste instantie vastgestelde voorschot, is aan partijen gevraagd zich over de extra kosten uit te laten. Partijen hebben beiden in hun aktes van 29 september 2025 geen bezwaren kenbaar gemaakt. Het gerecht stelt de kosten van de deskundige vast op EUR 4.446,75. Uit de stukken volgt dat gedaagden hieromtrent een bedrag van Cg 6.237,63 en Cg 3.206 hebben betaald. Nu gedaagden deze bedragen reeds hebben voorgeschoten, zal [eiseres] worden veroordeeld om dit totale bedrag van Cg 9.443,43 aan gedaagden te betalen.
2.20.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
3. De beslissing
Het gerecht:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van een bedrag van Cg 9.443,43 aan deskundigenkosten aan gedaagden;
3.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten welke aan de zijde van gedaagden zijn vastgesteld op Cg 4.375;
3.4.
compenseert de proceskosten tussen [eiseres] en Nagico, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.R. Hoekstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.1 punt voor de conclusie van antwoord, 1 punt voor de mondelinge behandeling, 1,5 punt voor drie aktes.