ECLI:NL:OGEAC:2025:307

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
CUR202504537 en CUR202504538
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 LuchtvaartlandsverordeningArt. 25 LuchtvaartlandsverordeningArt. 30 Landsbesluit toezicht luchtvaartArt. 26 Landsbesluit luchtverkeer 2005Art. 2.2.9.2 CCAR Part 2
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging schorsing vliegbrevetten wegens onvoldoende motivering en matiging duur

Eiser, piloot met Curaçaos en Amerikaans vliegbrevet, werd door de minister geschorst vanwege meerdere overtredingen van de luchtvaartregels, waaronder te laag vliegen nabij obstakels. De minister schorste de vliegbrevetten voor 90 dagen en het medisch certificaat met onmiddellijke ingang.

Het Gerecht oordeelt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, met name over de juridische grondslag, de aard van de overtredingen en de noodzaak van de maatregelen. De minister heeft het tijdsverloop tussen overtreding en beschikking onvoldoende betrokken, waardoor de schorsing van 90 dagen onevenredig is. Het Gerecht stelt de schorsing van de vliegbrevetten vast op 75 dagen.

De schorsing van het medisch certificaat blijft in stand omdat de minister voldoende heeft onderbouwd dat twijfel bestaat over de medische geschiktheid van eiser. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De schorsing van de vliegbrevetten wordt vernietigd en gematigd tot 75 dagen, de schorsing van het medisch certificaat blijft in stand.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak tussen:

[naam eiser],

eiser,
gemachtigden: mrs. D.M. Wildeman en D.E. van Voorst, advocaten,
tegen

de minister van Verkeer Vervoer en Ruimtelijke Planning,

verweerder,
gemachtigden: mr. G.N. Hollander.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser en het door hem ingediende verzoek om voorlopige voorziening tegen de beslissing van de minister om de “pilot privileges” (hierna ook: vliegbrevetten) en het medisch certificaat van eiser te schorsen.
1.1
Bij beschikking van 4 november 2025 heeft de minister dit besluit tot schorsing genomen (de bestreden beschikking).
1.2
Eiser heeft een pro forma beroepschrift ingediend en daarnaast een verzoekschrift dat strekt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Met instemming van eiser heeft het Gerecht dit verzoekschrift tevens aangemerkt als aanvullend beroepschrift tegen de bestreden beschikking. De minister heeft een verweerschrift met producties ingediend. Eiser heeft een nadere productie overgelegd.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op de zitting van 21 november 2025. Eiser was hierbij via beeld- en geluidsverbinding aanwezig, samen met mr. Van Voorst, die in het gerechtsgebouw aanwezig was. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hollander, die werd vergezeld door [naam jurist CCAA], jurist bij Curaçao Civil Aviation Authority (CCAA) en [naam vliegtechnisch inspecteur], vliegtechnisch inspecteur bij CCAA. Daarnaast was aanwezig [naam tolk], tolk in de Engelse taal.
1.4
Naar aanleiding van de bespreking in raadkamer heeft het Gerecht het onderzoek heropend om eiser een aantal aanvullende vragen te stellen. Eiser heeft deze vragen bij e-mail van 27 november 2025 beantwoord. De minister heeft daarop gereageerd bij e-mail van 28 november 2025. Op verzoek van het Gerecht heeft eiser vervolgens op 1 december 2025 op die reactie gereageerd.

Beoordeling door het Gerecht

2.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2
Het Gerecht is van oordeel dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven. De rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking kunnen slechts gedeeltelijk in stand blijven. Het Gerecht is van oordeel dat de minister de vliegbrevetten van eiser heeft kunnen schorsen. De beroepsgrond van eiser dat de schorsing van zijn vliegbrevetten voor de duur van 90 dagen onevenredig is, slaagt. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister het tijdsverloop tussen de overtreding en het nemen van de bestreden beschikking onvoldoende in zijn beoordeling betrokken. Het Gerecht zal daarom zelf in de zaak voorzien en de duur van de schorsing van de vliegbrevetten vaststellen op 75 dagen.
Ten aanzien van de schorsing van het medische certificaat slagen eisers beroepsgronden niet. Het Gerecht laat de rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking daarom in zoverre in stand.
2.3
Omdat het Gerecht met toestemming van partijen beslist op het beroep, is er geen reden meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het Gerecht wijst dat verzoek af.
2.4
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Eiser is sinds 5 juni 2019 piloot en beschikt sinds 13 augustus 2022 over een door de CCAA afgegeven vliegbrevet. Daarnaast heeft hij een bewijs van bevoegdheid dat is afgegeven door de Amerikaanse luchtvaartautoriteit. Eiser werkt momenteel als First Officer bij Z Air, waar hij lijndiensten uitvoert. Ook is hij parttime actief als vlieginstructeur en maakt hij daarbij gebruik van de faciliteiten van Falki Aviation, een luchtvaartorganisatie met vestigingen op Bonaire en Curaçao.
3.2
Op 5 januari 2025 voerde eiser tijdens Fuikdag een vlucht uit over de Fuikbaai. Bij beschikking van 20 mei 2025 heeft de minister vastgesteld dat eiser in strijd met de regels te laag heeft gevlogen boven een drukbezocht gebied en te laag heeft gevlogen boven de grond, een heuvel of een ander obstakel. Voor het te laag vliegen boven het drukbezochte gebied heeft de minister het vliegbrevet van eiser voor 75 dagen geschorst. Tegen deze schorsing heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld, waardoor deze onherroepelijk is geworden.
3.3
Op 31 januari 2025 heeft eiser een vlucht uitgevoerd met een Piper PA-34-200T Seneca II met registratienummer N9565K, toebehorend aan Falki Aviation. Kort na het opstijgen zette eiser een rechterbocht in richting het zuiden.
3.4
In de beschikking van 20 mei 2025 is aangekondigd dat het incident van 31 januari 2025 nader zou worden onderzocht. Bij brief van 15 oktober 2025 is aan eiser meegedeeld dat uit dat onderzoek blijkt dat hij zich op 31 januari 2025 aan meerdere overtredingen heeft schuldig gemaakt. Daarbij is vermeld dat deze overtredingen kunnen leiden tot een schorsing van zijn vliegbrevet voor 30 tot 120 dagen en mogelijk ook tot een schorsing van zijn medische licentie. Eiser is in die brief uitgenodigd om zijn zienswijze te geven in een gesprek, dat op 22 oktober 2025 heeft plaatsgevonden.
3.5
Daarna heeft de minister de bestreden beschikking genomen, die heeft geleid tot het procesverloop zoals beschreven in de inleiding van deze uitspraak.
Wat houdt de bestreden beschikking in?
4. In de bestreden beschikking van 4 november 2025 heeft de minister vastgesteld dat eiser op 31 januari 2025 te laag en te dicht heeft gevlogen nabij Seru Mahuma, twee zendmasten en de DC-ANSP-radarkoepel. In dat verband heeft de minister vastgesteld dat eiser op een hoogte van ongeveer 650 voet heeft gevlogen over een heuvel die is gelegen ten oosten van een telecommunicatiepaal met een obstakelhoogte van 120 voet. Verder is vastgesteld dat eiser op ongeveer 243 voet ten oosten van de DC-ANSP-radarlocatie heeft gevlogen, op een hoogte van ongeveer 550 voet ten opzichte van de radarkoepel, die een obstakelhoogte heeft van 316 voet. Volgens de minister heeft eiser hiermee gehandeld in strijd met artikel 8.8.1.6, onderdeel (a), onder (1), van CCAR Part 8. Omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser ten tijde van het incident wist dat zich op het GA-apron (platform voor kleine vliegtuigen) een mensenmenigte bevond, wordt hem in de bestreden beschikking niet langer tegengeworpen dat hij daarover te laag heeft gevlogen. Op grond van de bij CCAR Part 1 behorende tabellen geldt voor het niet handhaven van de vereiste minimale vlieghoogte boven gebouwen, personen of voertuigen in dunbevolkte gebieden een schorsing van 30 tot 120 dagen als uitgangspunt. Gelet op de ernst van de geconstateerde overtredingen heeft de minister besloten de
pilot privilegesvan eiser te schorsen voor de duur van 90 dagen. Daarbij is tevens betrokken dat volgens de minister sprake is van herhaalde overtredingen op verschillende momenten. De minister heeft in dit verband ook aanleiding gezien om eisers medische certificaat met onmiddellijke ingang te schorsen, onder verwijzing naar artikel 2.2.9.2 van CCAR Part 2, totdat eiser opnieuw met succes een medische keuring heeft ondergaan.
Wat is het toetsingskader in deze zaak?
5. Bij de beoordeling van de door de minister opgelegde maatregelen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
5.1
Op grond van artikel 25, aanhef en onder a, van de Luchtvaartlandsverordening is het verboden de luchtvaart zodanig uit te oefenen dat de openbare orde of veiligheid wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht. De bevoegdheid om de bewijzen van bevoegdheid voor het bedienen van Nederlands-Antilliaanse luchtvaartuigen te schorsen is in artikel 7, tweede lid, van de Luchtvaartlandsverordening bij de minister neergelegd. In deze bepaling is verder bepaald dat de regels die voor deze bevoegdheid gelden, worden vastgesteld bij landsbesluit. Bij ministeriële beschikkingen van 28 februari 2007 en 22 december 2017 zijn de bevoegdheden van de minister op grond van de Luchtvaartlandsverordening gemandateerd aan de (waarnemend) Directeur-Generaal van de CCAA.
5.2
De uitwerking van artikel 7 van Pro de Luchtvaartlandsverordening is onder meer opgenomen in het Landsbesluit toezicht luchtvaart. Artikel 30, eerste lid, onder c, bepaalt dat de geldigheid van een bewijs van bevoegdheid kan worden geschorst bij onbekwaamheid, wangedrag, roekeloosheid of verregaande achteloosheid van de houder. Het derde lid bepaalt dat bij een schorsing kan worden verlangd dat betrokkene opnieuw een medische keuring ondergaat.
5.3
Op grond van artikel 26 van Pro het Landsbesluit luchtverkeer 2005 kunnen door de minister, ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim en ter bevordering van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer, regels worden gesteld aan deelnemers aan het luchtverkeer.
Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door nadere regels vast te leggen in de bijlagen bij de Regeling nadere voorschriften toezicht luchtvaart. Deze bijlagen zijn beter bekend als de Curaçao Aviation Regulations (CCAR’s), die uit acht afzonderlijke delen bestaan.
5.4
In CCAR Part 1, artikel 1.3.3.3(a), is bepaald dat een vliegbrevet kan worden geschorst wanneer de houder de Luchtvaartlandsverordening of daarop gebaseerde regelgeving overtreedt.
5.5
In CCAR Part 8 is in artikel 8.8.1.6(a)(1) vastgelegd dat, behalve wanneer dit noodzakelijk is voor het opstijgen of de landing, niet lager mag worden gevlogen dan 1000 voet boven de grond of binnen 1000 voet van een berg, heuvel of ander obstakel. Deel 8 geeft daarnaast als indicatie dat voor overtreding van dit artikel een schorsing van 30 tot 120 dagen passend is.
5.6
Voor het medische certificaat geldt een aparte regeling. Artikel 2.2.9.2 CCAR Part 2 bepaalt dat de CCAA, wanneer twijfel bestaat over de medische geschiktheid van de houder, kan bepalen dat betrokkene opnieuw een gehele of gedeeltelijke medische keuring ondergaat. In dat geval wordt de geldigheid van het medische certificaat geschorst totdat de keuring met goed gevolg is afgerond.
Waarom is eiser het niet eens met de bestreden beschikking?
6. Eiser voert meerdere beroepsgronden aan tegen de bestreden beschikking. Het Gerecht zal deze achtereenvolgens bespreken.
6.1
Eiser voert onder meer aan dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Volgens hem is daarin niet inzichtelijk gemaakt waarom sprake is van een overtreding en waarom de opgelegde maatregelen noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn.
7. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
7.1
In de bestreden beschikking is de wettelijke grondslag van de opgelegde maatregelen slechts beperkt toegelicht. Volstaan is met het opsommen van enkele bepalingen uit deel 8 van de CCAR, zonder de wettelijke basis uit de Luchtvaartlandsverordening en de daarop gebaseerde landsbesluiten te vermelden.
Daarmee blijft onduidelijk wat de juridische grondslag is voor de bevoegdheid van de minister om de “pilot privileges” en het medische certificaat te schorsen. Daarbij komt dat gebruik van de meervoudsterm “pilot privileges” erop lijkt te duiden dat beoogd is om beide vliegbrevetten van eiser te schorsen, maar dat het op de weg van verweerder had gelegen om dat expliciet te benoemen. Verder acht het Gerecht onvoldoende gemotiveerd waarom volgens de minister sprake is van een overtreding van artikel 8.8.1.6(a) van de CCAR. Eiser heeft in het gesprek van 22 oktober 2025 naar voren gebracht dat hij de bocht naar rechts — en daarmee het vliegen onder de voorgeschreven minimumhoogte — heeft gemaakt vanwege verkeersdrukte op Hato. Het lag daarom op de weg van de minister om in de bestreden beschikking inzichtelijk te maken waarom deze omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor het handelen van eiser. Verder is, mede gelet op de voor eiser ingrijpende persoonlijke gevolgen, de keuze voor een schorsing van de “pilot privileges” voor de duur van 90 dagen onvoldoende gemotiveerd. Ten slotte is niet toereikend onderbouwd waarom aan de medische geschiktheid van eiser kan worden getwijfeld en waarom om die reden een schorsing van zijn medische certificaat gerechtvaardigd is.
Kunnen de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand blijven?
8. Het beroep is gegrond, de bestreden beschikking moet worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Met het oog op een mogelijke definitieve beslechting van het geschil tussen partijen, zal het Gerecht beoordelen of de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking in stand kunnen blijven. Het Gerecht betrekt hierbij de nadere toelichting op de bestreden beschikking van de minister in het verweerschrift en zoals gegeven ter zitting. Het Gerecht betrekt bij deze beoordeling ook de overige beroepsgronden van eiser.
Mocht de minister zijn beslissing baseren op gegevens van Flighradar24?
9. Eiser betoogt dat de minister zijn beslissing niet had mogen baseren op gegevens afkomstig van Flightradar24. Volgens eiser is de bestreden beschikking in overwegende mate gebaseerd op informatie van Flightradar24.com, een voor het publiek toegankelijke website die bedoeld is voor recreatieve en informatieve doeleinden en niet is ingericht voor het vaststellen van officiële vluchtgegevens. Deze bron mag daarom, aldus eiser, niet worden gebruikt in toezicht-, handhavings- of sanctioneringsprocedures. Uit de systematiek van de CCAR volgt volgens eiser dat voor dergelijke procedures uitsluitend officiële, verifieerbare en objectieve gegevens mogen worden gebruikt, zoals de gegevens van de luchtverkeersleiding (DC-ANSP). Nu dit niet is gebeurd, vindt eiser dat de bestreden beschikking in strijd is met de geldende regelgeving en om die reden niet in stand kan blijven.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van belang.
10.1
Hiervoor heeft het Gerecht geoordeeld dat de bestreden beschikking wegens een gebrekkige motivering niet in stand kan blijven. In het kader van de vraag of de rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking in stand kunnen blijven, moet het Gerecht beoordelen of de minister inmiddels wel voldoende heeft onderbouwd dat eiser lager heeft gevlogen dan 1000 voet boven de grond of binnen 1000 voet van heuvels, bergen of overige obstakels, hetgeen artikel 8.8.1.6(a) van deel 8 van de CCAR verbiedt. Het Gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend en motiveert dat als volgt.
10.2
De minister heeft de door Flightradar24 geregistreerde vluchtgegevens laten verifiëren door inspecteurs van de CCAA. Deze inspecteurs hebben in de radartoren van de DC-ANSP de officiële vluchtgegevens van eiser onderzocht. Uit zowel screenshots en een video-opname van het radarscherm van de DC-ANSP, als uit een tabel met de bijbehorende radarcoördinaten, blijkt dat de gegevens van Flightradar24 overeenkomen met de gegevens van de DC-ANSP. De brief van de DC-ANSP van 20 november 2025 bevestigt dit eveneens. Daarmee staat de juistheid van de Flightradar24-informatie voldoende vast. Daar komt bij dat eiser niet heeft betwist dat hij lager heeft gevlogen dan de wettelijk toegestane minimumhoogte. Sterker nog, ook uit zijn eigen verklaring volgt dat hij lager dan de norm heeft gevlogen.
Is sprake van overtreding van artikel 8.8.1.6(a) van de CCAR?
11. Eiser stelt dat hij artikel 8.8.1.6(a) van de CCAR niet heeft overtreden. Volgens hem is vliegen onder de minimale hoogte van 1000 voet toegestaan wanneer dit noodzakelijk is voor het opstijgen, en was die uitzonderingsgrond in zijn geval van toepassing. Hij voert aan dat hij zich gedurende de 44 seconden waarin hij onder deze hoogte vloog nog volledig in de take-off-fase bevond. De rechterbocht die hij direct na vertrek maakte – waardoor hij in die periode lager vloog – was volgens eiser operationeel noodzakelijk voor een veilige en efficiënte afhandeling van naderend en vertrekkend verkeer. Deze manoeuvre zou bovendien hebben aangesloten bij een (zij het impliciete) instructie van Air Traffic Control (ATC). Eiser benadrukt dat het gebruikte type vliegtuig in korte tijd snel kan klimmen en dat hij zijn beslissing daarop, en op de verkeerssituatie op Hato, heeft afgestemd. Volgens hem is geen sprake geweest van onverantwoord of gevaarzettend handelen.
12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van belang.
12.1
Voor de vraag of eiser een beroep kan doen op de uitzonderingsgrond van artikel 8.8.1.6(a) van de CCAR moet worden beoordeeld of het lager vliegen dan de voorgeschreven minimumhoogte dringend noodzakelijk was voor het opstijgen. Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend en motiveert dit als volgt.
12.2
In de transcriptie van de communicatie tussen eiser en ATC tijdens het opstijgen staat onder meer het volgende vermeld:
Eiser:
“Two thousand feet with a right turn tot the south then east”.
ATC:
“Right turn, right turn ah is approved to the south”.
(..)
ATC:
“Nechi brother”.
Het Gerecht leidt hieruit af ATC geen opdracht heeft gegeven om kort na het vertrek een bocht naar rechts te maken, ook niet impliciet. Uit dit verslag volgt dat eiser zelf het initiatief heeft genomen om de bocht naar rechts te maken en dat ATC daarvoor daarna toestemming heeft gegeven. Verder blijkt daaruit dat eiser achteraf werd geprezen voor de door hem op eigen initiatief gemaakte manoeuvre. Maar zelfs indien wél zou zijn gebleken dat ATC een dergelijke instructie heeft gegeven, blijft het de eigen verantwoordelijkheid van de piloot om te handelen in overeenstemming met de geldende regels. Van een gecertificeerd piloot mag worden verwacht dat hij bekend is met het in artikel 8.8.1.6(a) neergelegde verbod om, behoudens uitdrukkelijke uitzonderingssituaties, lager te vliegen dan 1000 voet. Het Gerecht acht, anders dan eiser betoogt, niet aannemelijk dat het inzetten van een bocht naar rechts noodzakelijk was. De minister heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat eiser de landingsbaan had moeten en kunnen blijven volgen om op veilige hoogte te komen. Daarnaast heeft de heer Llanes ter zitting overtuigend uiteengezet dat het type toestel waarin eiser vloog niet de door eiser gestelde klimcapaciteit heeft en dat in de startfase rekening moet worden gehouden met het denkbeeldige slechtste scenario van het uitvallen van een motor. Juist om die reden is het van wezenlijk belang dat onnodige risico’s van laag vliegen, met name over bebouwing en in de nabijheid van obstakels, worden vermeden. Dat het op Hato op dat moment druk was en eiser naar eigen zeggen wilde bijdragen aan een efficiënte verkeersafhandeling, maakt het lager vliegen dan de norm niet dringend noodzakelijk. Door aanzienlijk onder de minimumhoogte te vliegen boven een woonwijk en in de directe nabijheid van onder meer twee zendmasten en de DC-ANSP-radarkoepel, heeft eiser naar het oordeel van het Gerecht roekeloos gehandeld in de zin van artikel 30 van Pro het Landsbesluit toezicht luchtvaart. Omdat het lager vliegen dan de norm niet noodzakelijk was voor het opstijgen, is bovendien sprake van overtreding van artikel 8.8.1.6(a) van deel 8 van de CCAR.
Tussenconclusie
13.1
Het Gerecht is van oordeel dat de minister, gelet op de overtreding van artikel 8.8.1.6(a) van deel 8 van de CCAR, bevoegd is om de
pilot privilegesvan eiser te schorsen. Voor deze schorsing geldt een gelaagde bevoegdheidsgrondslag: de wettelijke bevoegdheid is neergelegd in artikel 7 van Pro de Luchtvaartlandsverordening, is nader uitgewerkt in artikel 30 van Pro het Landsbesluit toezicht luchtvaart en vindt verdere invulling in de CCAR.
In de bestreden beschikking wordt gebruikgemaakt van de meervoudsvorm
pilot privileges. Nu eiser zowel over een Curaçaos als over een Amerikaans vliegbrevet beschikt, en schorsing van slechts één van deze brevetten niet voor de hand ligt, leest het Gerecht de bestreden beschikking zo dat beoogd is beide vliegbrevetten van eiser te schorsen.
13.2
Naar het oordeel van het Gerecht bestaat ook voor de schorsing van het medische certificaat een toereikende juridische grondslag. Anders dan bij de schorsing van de vliegbrevetten heeft de schorsing van het medische certificaat een zuiver preventief karakter en beoogt deze maatregel uitsluitend de veiligheid van de luchtvaart te beschermen. Voor een maatregel van deze aard acht het Gerecht het voldoende dat de bevoegdheid pas in lagere regelgeving is neergelegd. Ook indien artikel 30 van Pro het Landsbesluit toezicht luchtvaart niet als zelfstandige grondslag voor schorsing van het medische certificaat zou kunnen worden aangemerkt, biedt artikel 2.2.9.2 van CCAR Part 2 naar het oordeel van het Gerecht een toereikende wettelijke basis voor deze maatregel.
Is de bestreden beschikking in strijd met het beginsel van détournement de pouvoir?
14. Eiser voert verder aan dat de bestreden beschikking ook onrechtmatig is omdat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Volgens hem volgt uit de tekst en strekking van artikel 2.2.9.2 van CCAR Part 2 dat de bevoegdheid om de geldigheid van een medisch certificaat te schorsen uitsluitend een preventief karakter heeft. Deze bevoegdheid is bedoeld om tijdelijk in te grijpen wanneer – en slechts zolang – objectieve twijfel bestaat over de medische geschiktheid van de betrokkene. Deze bevoegdheid is volgens eiser uitdrukkelijk niet bedoeld en ook niet geschikt om operationeel gedrag te sanctioneren of om als algemeen preventief middel te worden ingezet. In zijn geval blijkt volgens eiser nergens uit dat de CCAA twijfelt aan zijn medische geschiktheid. Doordat de minister desondanks is overgegaan tot schorsing van zijn medisch certificaat, moet worden aangenomen dat deze maatregel in werkelijkheid is opgelegd als reactie op zijn operationeel handelen. Daarmee is artikel 2.2.9.2 CCAR Part 2 volgens eiser gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend.
15. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
15.1
Uit de tekst van artikel 2.2.9.2 CCAR Part 2 volgt dat, “in case of doubt concerning the medical fitness of the holder of a medical certificate”, kan worden bepaald dat het medische certificaat pas weer geldig is nadat betrokkene met goed gevolg een (gehele of gedeeltelijke) medische keuring heeft ondergaan. In het verweerschrift en ter zitting heeft de minister toegelicht waarom in dit geval aan de medische geschiktheid van eiser kan worden getwijfeld. De minister heeft erop gewezen dat eiser binnen een tijdsbestek van een maand tweemaal in strijd met de norm te laag heeft gevlogen en daarmee de veiligheid van het luchtverkeer in gevaar heeft gebracht. Volgens de minister rechtvaardigt deze herhaalde en potentieel gevaarzettende wijze van vliegen de vrees dat mogelijk sprake is van onderliggende medische of mentale problemen. Daarbij is benadrukt dat in de luchtvaart het merendeel van de incidenten en ongevallen wordt veroorzaakt door piloten bij wie later mentale problemen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister hiermee voldoende onderbouwd dat getwijfeld kan worden aan de medische geschiktheid van eiser, zodat aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 2.2.9.2 CCAR Part 2 is voldaan. Uit de tekst van deze bepaling volgt bovendien dat de schorsing van een medische licentie een preventieve maatregel is, gericht op het beschermen van de veiligheid van de luchtvaart. In dit geval heeft de minister voldoende toegelicht dat hij de schorsing met dit doel heeft toegepast. De stelling dat sprake is van misbruik van bevoegdheid omdat de maatregel zou zijn opgelegd als straf voor operationeel handelen, treft daarom geen doel.
Rechtvaardigt overtreding van artikel 8.8.1.6(a) een schorsing van de vliegbrevetten?
16. Eiser voert verder aan dat namens de minister is erkend dat op overtreding van artikel 8.8.1.6(a) Part 8 van de CCAR geen duidelijke sanctie staat, laat staan een schorsing van 90 dagen. Ter onderbouwing wijst hij op de brief van 20 mei 2025 over het vliegincident van 5 januari 2025. In die brief staat dat eiser een overtreding van artikel 8.8.1.6(a) Part 8 van de CCAR werd verweten, maar dat hiervoor geen sanctie werd opgelegd.
17. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
17.1
Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de in de brief van 20 mei 2025 ingenomen opvatting — dat overtreding van deze bepaling geen (extra) schorsing rechtvaardigt — achteraf onjuist blijkt te zijn. De minister heeft in het licht van voortschrijdend inzicht inmiddels het standpunt ingenomen dat een wettelijke grondslag bestaat om een overtreding van artikel 8.8.1.6(a) van CCAR Part 8 te sanctioneren met een schorsing en dat de ernst van de overtreding dat ook rechtvaardigt. Omdat de minister niet gehouden is een eerder ingenomen, onjuist gebleken standpunt te herhalen, staat de inhoud van de brief van 20 mei 2025 er naar het oordeel van het Gerecht niet aan in de weg om voor het incident van 31 januari 2025 wél een schorsing op te leggen. Of een schorsing van 90 dagen in dit geval gerechtvaardigd is, beoordeelt het Gerecht hierna bij de bespreking van eisers beroepsgrond over de evenredigheid van de opgelegde maatregelen.
Zijn de opgelegde maatregelen evenredig?
18. Eiser voert ten slotte aan dat de opgelegde maatregelen onevenredig zijn, omdat deze niet in verhouding staan tot het doel dat daarmee wordt beoogd. De maatregelen hebben volgens hem directe, ingrijpende en potentieel onomkeerbare gevolgen, omdat hij hierdoor feitelijk volledig wordt belet zijn beroep als piloot uit te oefenen. Zij raken niet alleen zijn professionele toekomst, maar ook zijn positie als kostwinner van zijn gezin. Volgens eiser ontbreekt voor dergelijke zware gevolgen een rechtvaardiging. Sinds het incident van 31 januari 2025 heeft zich geen enkel veiligheidsincident voorgedaan en is evenmin gebleken van enig risico voor de luchtvaartveiligheid. Er bestaat daarom geen actuele of concrete aanleiding om hem – ruim tien maanden na het incident en vijf maanden nadat de minister volledig beschikte over de relevante feiten – om veiligheidsredenen uit het luchtverkeer te weren.
19. In de aanvullende gronden en ter zitting is in dit verband gewezen op de verplichte periodieke training op 6 en 7 december 2025, die eiser moet volgen om zijn bevoegdheden te behouden. Door de opgelegde maatregelen zou eiser deze training niet kunnen volgen.
20. Om deze beroepsgrond te kunnen beoordelen heeft het Gerecht het onderzoek heropend en eiser gevraagd om nadere informatie over de aard en inhoud van de trainingen van 6 en 7 december 2025 en over de vraag of voor deze trainingen een geldig vliegbrevet en medisch certificaat vereist is. Uit de reacties die partijen naar aanleiding van deze nadere vragen hebben ingediend, blijkt dat eiser aanvankelijk door zijn werkgever was opgegeven voor de verplichte training op 6 en 7 december 2025, maar dat deze training inmiddels door de werkgever is geannuleerd. Daarnaast is gebleken dat het medische certificaat van eiser op 5 december 2025 verloopt.
21. Het Gerecht komt op grond van het voorgaande tot de volgende beoordeling van deze beroepsgrond.
21.1
Het Gerecht stelt voorop dat naar zijn oordeel de minister bij het bepalen van de duur van de schorsing van het vliegbrevet mocht aansluiten bij de in CCAR Part 1 opgenomen richtlijn van 30 tot 120 dagen. Gelet op het feit dat aan eiser eerder vanwege een vergelijkbare overtreding een schorsing voor de duur van 75 dagen is opgelegd, is een schorsing voor de duur van 90 dagen op zichzelf geen onredelijk vertrekpunt.
Het Gerecht is echter van oordeel dat de minister bij de vaststelling van de duur van de schorsing onvoldoende rekening heeft gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop van ongeveer tien maanden tussen de datum van de overtreding en de datum van de bestreden beschikking. Een schorsing heeft in belangrijke mate een preventieve werking: beoogd wordt te bevorderen dat de betrokkene zich in de toekomst aan de geldende regels houdt. Naarmate meer tijd verstrijkt tussen de overtreding en het opleggen van de schorsing, neemt de bijdrage van de maatregel aan dat doel af. Het door de minister gestelde personeelstekort, waardoor het onderzoek niet eerder kon worden afgerond en de bestreden beschikking niet eerder kon worden genomen, rechtvaardigt dit tijdsverloop niet.
Gelet op het voorgaande acht het Gerecht een schorsing van 90 dagen onevenredig in verhouding tot het met de schorsing te dienen belang. Nu eiser niet langer hoeft deel te nemen aan de oorspronkelijk geplande trainingen op 6 en 7 december 2025 bestaat er voor het Gerecht geen aanleiding om de duur van de schorsing verder te matigen. Het Gerecht zal daarom zelf in de zaak voorzien en de vliegbrevetten van eiser schorsen vanaf 4 november 2025 voor de duur van 75 dagen.
21.2
Voor de schorsing van de medische licentie van eiser ligt dit anders. Hoewel het te betreuren is dat de minister niet voortvarender heeft gehandeld, rechtvaardigt het tijdsverloop niet dat wordt afgezien van maatregelen die noodzakelijk zijn ter bescherming van de luchtvaartveiligheid. Anders dan bij het vliegbrevet hoefde de minister niet meer maatwerk toe te passen: de beoordeling van de medische geschiktheid moet plaatsvinden alvorens eiser weer mag vliegen. Het Gerecht is daarom van oordeel dat de minister vanwege het tijdsverloop niet had hoeven afzien van een schorsing van de medische licentie van eiser. Daarbij komt dat de geldigheid van de geschorste medische licentie al op 5 december 2025 verloopt. Het Gerecht laat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking voor zover het gaat om schorsing van de medische licentie dan ook in stand.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking is gegrond, omdat deze onvoldoende is gemotiveerd. Het Gerecht zal de bestreden beschikking daarom vernietigen. De rechtsgevolgen van de te vernietigen beschikking blijven in stand voor zover daarin de medische licentie van eiser is geschorst. De beroepsgrond van eiser dat de schorsing van zijn vliegbrevetten voor de duur van 90 dagen, gelet op het tijdsverloop, onevenredig is, slaagt. Het Gerecht zal in zoverre zelf in de zaak voorzien en de duur van de schorsing van de vliegbrevetten vaststellen op 75 dagen.
23. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door eiser betaalde griffierecht van Cg 150,- aan hem vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Omdat de gemachtigde van eiser het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend dat tevens wordt aangemerkt als beroepschrift en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt Cg 700,-) bedragen die proceskosten Cg 1400,-.
24. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het Gerecht wijst het verzoek van eiser daarom af.

Beslissing

Het Gerecht:
  • verklaarthet beroep van eiser
    gegrond;
  • vernietigtde bestreden beschikking;
  • laat de rechtsgevolgenvan de bestreden beschikking
    in standvoor zover daarin de medische licentie van eiser is geschorst
    ;
  • voorziet zelf in de zaakvoor zover de vliegbrevetten van eiser zijn geschorst en schorst deze vliegbrevetten vanaf 4 november 2025
    voor de duur van 75 dagen;
  • bepaalt dat deze uitspraak voor zover het Gerecht zelf voorziet in de plaats treedt van de vernietigde bestreden beschikking;
  • veroordeeltde minister tot betaling aan eiser van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 1400,-;
  • bepaaltdat de minister het door eiser betaalde griffierecht van Cg 150,- aan hem vergoedt;
  • wijst afhet verzoek om voorlopige voorziening.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is griffierecht verschuldigd.