In deze zaak vordert Stichting Pensioenfonds NOPRA, in liquidatie, opheffing van executoriaal derdenbeslag dat in 2009 door [de beslaglegger] is gelegd op haar bankrekeningen. De beslagen zijn gelegd uit hoofde van een geldleningsovereenkomst tussen [de debiteur] en [de beslaglegger] uit 2003, waarbij de stichting niet partij was. De stichting stelt dat zij niet aansprakelijk is voor de lening en dat de vorderingen zijn verjaard.
Het gerecht stelt vast dat de stichting geen partij was bij de geldlening en dat de door [de beslaglegger] gestelde vereenzelviging onvoldoende is onderbouwd. Ook bij aanname van aansprakelijkheid is de vordering verjaard omdat het beslag in 2009 is gelegd en sindsdien geen stuiting heeft plaatsgevonden. Daarom wordt het beslag ten laste van de stichting opgeheven. De opheffing van beslagen ten laste van [de debiteur] wordt afgewezen wegens gebrek aan belang van de stichting.
De tegenvordering van [de beslaglegger] om de stichting te veroordelen tot het afleggen van een derdenverklaring wordt afgewezen omdat de beslaglegger zich niet tot de derde heeft gewend en geen ingebrekestelling heeft gedaan. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen deels in het gelijk zijn gesteld.
Het vonnis is gewezen door rechter P.E. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2025.