Eiseres diende een beroep in tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek op grond van de Landverordening openbaarheid van bestuur (Lob) gericht aan de Gouverneur. Zij vorderde tevens een voorlopige voorziening. Het Gerecht oordeelde dat de Gouverneur geen bestuursorgaan is in de zin van de Lar, omdat alle bevoegdheden die aan de Gouverneur worden toegekend, behoren tot de regering als samengesteld ambt. Hierdoor is een beslissing van de Gouverneur geen beschikking in de zin van de Lar en kan het uitblijven daarvan ook niet als zodanig worden aangemerkt.
Het Gerecht stelde vast dat het beroep tegen het uitblijven van een beschikking daarom niet ontvankelijk is en verklaarde zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Als gevolg hiervan wees het Gerecht ook het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het belang van eiseres daarmee was komen te vervallen.
Het Gerecht wees er op dat de bevoegdheid om vergunningen te verlenen op grond van de Landsverordening buitengaatse hazardspelen bij mandaat bij de minister van Financiën ligt, aan wie het Lob-verzoek had moeten worden gericht. Eiseres kan derhalve een nieuw verzoek indienen bij de minister van Financiën. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Lanshage op 15 januari 2025 te Curaçao.