ECLI:NL:OGEAC:2025:9

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
CUR202403598
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 LobArt. 3 LarArt. 6 LobArt. 7 LarArt. 28 Staatsregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen uitblijven beslissing Lob-verzoek minister Algemene Zaken afgewezen

Eiseres diende een verzoek in op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob) bij de minister van Algemene Zaken, maar deze besloot niet binnen de wettelijke termijn. Het Gerecht verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing gegrond en vernietigde de met een beschikking gelijkgestelde weigering om te beslissen.

Het Gerecht oordeelde echter dat de minister van Algemene Zaken niet de bevoegde minister is voor het verzoek, aangezien de bestuurlijke aangelegenheid betrekking heeft op het beleid van de minister van Financiën. Daarom wees het Gerecht het verzoek van eiseres af.

Eiseres had haar verzoek dus moeten richten aan de minister van Financiën, die bevoegd is op grond van de Landsverordening buitengaatse hazardspelen (Lbh) en het bijbehorende landsbesluit. Het Gerecht droeg op dat de minister van Algemene Zaken het betaalde griffierecht aan eiseres vergoedt. De uitspraak werd op 15 januari 2025 te Curaçao uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het Lob-verzoek is gegrond verklaard, de weigering vernietigd, maar het verzoek zelf afgewezen omdat de minister van Algemene Zaken niet bevoegd was.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

op het beroep in de zaak tussen:

[naam eiseres],

eiseres,
wonende in Nederland,
procederende in persoon,
en

de minister van Algemene Zaken (de minister)

verweerder,
gemachtigde: mr. H.W. Braam.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als eiseres en de minister.

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek in de zin van de Landverordening openbaarheid van bestuur (Lob) gericht aan de minister (de bestreden beschikking).
1.2
De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.3
Het Gerecht heeft het verzoek en het beroep op de zitting van 4 december 2024 behandeld. Eiseres was hierbij via een beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door [naam medewerker ministerie van Algemene Zaken].
1.4
Het beroep van eiseres is gelijktijdig behandeld met haar beroep en haar verzoek om een voorlopige voorziening, bij het Gerecht geregistreerd onder onderscheidenlijk zaaknummers CUR202403597 en CUR202404299. Op dit beroep en dit verzoek doet het Gerecht vandaag ook uitspraak.

Beoordeling door het Gerecht

2.1
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het Lob-verzoek gegrond is. De minister heeft namelijk niet binnen de wettelijke beslistermijn op het verzoek beslist.
2.2
Het Gerecht heeft voldoende informatie om zelf op het verzoek van eiseres te beschikken en wijst het verzoek af. Eiseres had haar verzoek namelijk moeten richten aan de minister van Financiën, in plaats van de minister van Algemene zaken. Het verzoek van eiseres ziet immers om een bestuurlijke aangelegenheid die betrekking heeft op het beleid van de minister van Financiën. Dat is de minister die het rechtstreeks aangaat als bedoeld in de Lob.
2.3
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Eiseres heeft op 24 februari 2024 op grond van de Lob verzocht om stukken te verstrekken die – kort gezegd – betrekking hebben op het exploiteren van hazardspleen op de internationale markt door middel van servicelijnen, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening buitengaatse hazardspelen (Lbh). Eiseres heeft dit verzoek ingediend bij het vergunningenloket. Het vergunningenloket heeft het verzoek van eiseres doorgezonden naar de minister van Financiën.
3.2
Eiseres heeft op 12 april 2014 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek (fictieve weigering). Dit beroep is bij het Gerecht geregistreerd onder zaaknummer CUR202401282. Terwijl dit beroep fictieve weigering bij het Gerecht liep, heeft de minister van Financiën alsnog een afwijzende beslissing genomen op het Lob-verzoek genomen. Het Gerecht heeft het beroep tegen de fictieve weigering mede gericht geacht tegen die afwijzende beschikking van de minister van Financiën. Het Gerecht heeft de minister van Financiën in deze procedure aangemerkt als verwerende partij en heeft het beroep van eiseres behandeld op de zitting van 11 september 2024.
3.3
Eiseres heeft zich op de zitting van 11 september 2024 op het standpunt gesteld dat de minister van Financiën ten onrechte door het Gerecht als verweerder is aangemerkt. Volgens eiseres had haar verzoek gelet op de inhoud daarvan en de Lbh doorgestuurd moeten worden naar de Gouverneur, dan wel de minister van Algemene Zaken. Op de zitting heeft het Gerecht met eiseres afgesproken dat (na ontvangst van het griffierecht) twee nieuwe zaaknummers zullen worden aangemaakt voor de beroepen van eiseres tegen de fictieve weigering van de Gouverneur en minister van Algemene Zaken om te beslissen op het Lob-verzoek van eiseres. Verder is afgesproken dat het Gerecht het beroep van eiseres tegen de fictieve weigering van 12 april 2024 zal doorsturen naar zowel de Gouverneur als de minister van Algemene Zaken met de opmerking dat – gelet op wat ter zitting van 11 september 2024 is afgesproken – in dit stadium aanleiding wordt gezien om de Gouverneur en de minister van Algemene Zaken als verweerder aan te merken. Eiseres heeft immers expliciet aangegeven dat zij het Lob-verzoek heeft willen richten aan zowel de Gouverneur als de minister van Algemene Zaken.
3.4
Deze procedure gaat over het nieuwe zaaknummer dat het Gerecht heeft aangemaakt waarbij de minister van Algemene Zaken als verweerder is aangemerkt. In deze zaak ligt allereerst de vraag voor of het uitblijven van een beslissing van de minister van Algemene Zaken moet worden aangemerkt als een weigering om te beschikken, die met een beschikking kan worden gelijkgesteld.
Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing in deze zaak?
4. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
4.1
Op grond van artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
4.2
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lar wordt onder een beschikking verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Op grond van het tweede lid van deze bepaling wordt met een beschikking gelijk gesteld een weigering om een beschikking te geven. Wanneer de wettelijke termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven geldt dat als een weigering van het geven van een beschikking. Dat volgt uit het derde lid van deze bepaling.
4.3
Op grond van artikel 6 van Pro de Lob beslist het bestuursorgaan op het verzoek zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste drie weken verdagen.
4.4
Toegepast op deze zaak, komt het Gerecht tot de volgende beoordeling.
Staat beroep open tegen het uitblijven van een reactie van de minister?
5. De minister stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat eiseres haar verzoek had moeten richten aan de minister van Financiën. Die minister is namelijk ministerieel verantwoordelijk voor online gaming en de uitvoering van de Lbh en niet de minister van Algemene Zaken. De stukken waarop het verzoek van eiseres betrekking heeft, bevinden zich daarom onder de minister van Financiën en niet onder de minister van Algemene Zaken. Op de zitting van 4 december 2024 is nog toegelicht dat weliswaar bepaalde (kopieën) van stukken zich mogelijk onder de minister van Algemene Zaken bevinden omdat deze stukken door de minister van Algemene Zaken zijn gepubliceerd, maar dat dit nog niet betekent dat hij ook de verantwoordelijke minister is in de zin van de Lob. Dit leidt tot de conclusie dat de minister van Algemene Zaken niet op het Lob-verzoek van eiseres hoefde te beschikken. Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beschikking moet daarom niet-ontvankelijk dan wel ongegrond worden verklaard, aldus de minister.
6. Het Gerecht volgt de minister niet in deze redenering. Hierbij is het volgende van belang.
6.1
Tussen partijen staat niet ter discussie, en ook het Gerecht stelt vast, dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn op het Lob-verzoek van eiseres heeft beslist. De minister van Algemene Zaken is een bestuursorgaan in de zin van artikel 3 van Pro de Lar. Een beslissing van deze minister op het Lob-verzoek van eiseres had daarom een beschikking opgeleverd in de zin van de Lar. Dat betekent ook dat het uitblijven van zo’n reactie met een beschikking kan worden gelijkgesteld.
Dat de minister inmiddels in zijn verweerschrift en toelichting op zitting heeft uitgelegd dat – en waarom – hij niet op het Lob-verzoek had hoeven te beschikken, maakt het voorgaande niet anders. Een verweerschrift is immers geen beschikking en biedt niet dezelfde rechtsbescherming als een beschikking. Dat betekent dat de minister zijn standpunt had moeten neerleggen in een beschikking, en dat is niet gebeurd. Er is daarom sprake van een weigering om te beschikken, die met een beschikking kan worden gelijkgesteld.
6.2
Het Gerecht is van oordeel dat deze met een beschikking gelijkgestelde weigering niet in stand kan blijven. Het Gerecht zal het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beschikking van de minister op haar Lob-verzoek daarom gegrond verklaren en de weigering om te beschikken vernietigen.
6.3
Het Gerecht heeft echter voldoende informatie om zelf op het voorliggende verzoek van eiseres te beslissen. Het Gerecht is van oordeel dat het verzoek van eiseres moet worden afgewezen. Bij dit oordeel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
6.4
Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Lob wordt onder een bestuursorgaan in de zin van deze landsverordening verstaan: de minister die het rechtstreeks aangaat. Artikel 1, eerste lid en onder c, van de Lob bepaalt dat onder bestuurlijke aangelegenheid wordt verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.
6.5
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Lob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.
6.6
In artikel 1 van Pro de Lbh wordt door de wetgever de bevoegdheid om vergunningen te verlenen geattribueerd aan de Gouverneur.
6.7
Naast zijn rol en bevoegdheden in aangelegenheden die het Koninkrijk aangaan, vertegenwoordigt de Gouverneur de Koning in de regering van het Land Curaçao. Behalve de Gouverneur, bestaat de regering uit de ministers. Het voorgaande volgt uit artikel 28, eerste en tweede lid, van de Staatsregeling.
De Gouverneur is het constitutioneel hoofd van de regering en kan door het parlement niet ter verantwoording worden geroepen. De ministers zijn verantwoordelijk voor alle daden van de regering. Dat volgt uit het derde lid van de Staatsregeling. Alle bevoegdheden die de Staatsregeling en andere regelingen aan de Gouverneur in diens hoedanigheid als hoofd van de regering toekennen, zijn bevoegdheden van de regering als samengesteld ambt waarvan de Gouverneur deel uit maakt. Voor zover in wettelijke regelingen het woord Gouverneur wordt gebruikt, wordt hiermee dan ook steeds de regering bedoeld. Het gevolg hiervan is dat dat de Gouverneur in landsaangelegenheden geen zelfstandige bevoegdheden heeft, niet ter verantwoording kan worden geroepen in de Staten en evenmin bij het Gerecht en dus niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan als bedoeld in de Lar.
6.8
Het voorgaande kan anders zijn als uit de context blijkt dat een bevoegdheid aan de Gouverneur in persoon toekomt. Naar het oordeel van het Gerecht doet deze uitzondering zich in dit geval niet voor. Uit het voorgaande volgt dat waar in de Lbh wordt gesproken over de ‘de Gouverneur’ daarmee de regering van Curaçao wordt bedoeld. Uit het namens de minister overgelegde landsbesluit van 23 december 2019 (no. 2019/39110) blijkt dat de Raad van Ministers het wenselijk heeft geacht om de bevoegdheid van artikel 1 Lbh Pro te beleggen bij één van de ministers, namelijk de minister van Financiën. In artikel 2, eerste lid, van dit landsbesluit staat onder andere dat de minister van Financiën mandaat wordt verleend om de bevoegdheid uit artikel 1 van Pro de Lbh uit te oefenen. Dat betekent dat de minister van Financiën bevoegd is om vergunningen te verlenen. Dat betekent ook dat deze minister moet worden aangemerkt als ‘de minister die het rechtstreeks aangaat’, in de zin van artikel 1, aanhef en onder a van de Lob.
6.9
Dat de minister van Algemene Zaken belast is met de publicatie van vergunningen en in die hoedanigheid zou kunnen beschikken over (enkele van) de stukken waar eiseres om heeft verzocht, is onvoldoende om te zeggen dat deze minister ook kan worden aangemerkt als een minister die het rechtstreeks aangaat. Dat betekent dat eiseres haar Lob-verzoek had moeten richten aan de minister van Financiën, in plaats van aan de minister van Algemene Zaken. Omdat eiseres haar Lob-verzoek heeft gericht tot de minister van Algemene Zaken die niet kan worden aangemerkt als het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, wijst het Gerecht haar verzoek af.
6.1
Het Gerecht heeft de minister van Financiën in de hiervoor genoemde (eerdere) procedure met zaaknummer CUR202401282 aangemerkt als verwerende partij. Eiseres heeft zoals gezegd deze procedure ingetrokken. Ten overvloede en ter voorlichting aan partijen merkt het Gerecht op dat het eiseres vrij staat om een nieuw Lob-verzoek te richten aan de minister van Financiën. Dat eiseres in Nederland woonachtig is, staat aan dat verzoek niet in de weg. Het Gerecht wijst in dit verband op de uitspraak van het Hof van 29 mei 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:58).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De minister van Algemene Zaken heeft ten onrechte niet binnen de daarvoor in de Lob gestelde termijn beslist op het verzoek van eiseres. Het Gerecht zal de met een beschikking gelijkgestelde weigering om te beslissen vernietigen. Het Gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het verzoek van eiseres af te wijzen. De minister van Algemene Zaken is immers niet de minister die het aangaat als bedoeld in de Lob. De bestuurlijke aangelegenheid waar eiseres informatie over wil is belegd bij de minister van Financiën.
8. Omdat het beroep gegrond is, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door Eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van NAf 150,- aan haar dient te vergoeden.
Het Gerecht is niet gebleken van vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het Gerecht:
  • verklaarthet beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het Lob-verzoek
    gegrond;
  • vernietigtde weigering van de minister om te beschikken op het Lob-verzoek;
  • wijsthet Lob-verzoek van Eiseres
    af;
  • draagtde minister
    ophet betaalde griffierecht van NAf 150,- (zegge: honderdvijftig Nederlands-Antilliaanse guldens) aan Eiseres te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter in het Gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025 te Curaçao, in tegenwoordigheid van
mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.