ECLI:NL:OGEAC:2026:103

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
CUR202503092
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Lv Dwanginvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvanger mocht beslag leggen ondanks lopende betalingsregeling

Realpower General Contractors N.V. vordert opheffing van beslag en schadevergoeding nadat de ontvanger beslag legde op haar roerende goederen wegens belastingschulden. Realpower stelt dat de ontvanger niet gerechtigd was tot dwanginvordering vanwege een lopende betalingsregeling waaraan zij grotendeels voldeed en dat het beslag disproportioneel is.

De ontvanger betwist dit en stelt dat de betalingsregeling door niet-nakoming van termijnen en lopende verplichtingen van rechtswege is vervallen. Het gerecht stelt vast dat Realpower niet alle termijnen heeft voldaan en dat de betalingsregeling expliciet vervalt bij niet-nakoming zonder ingebrekestelling.

Het gerecht oordeelt dat de ontvanger terecht tot beslaglegging is overgegaan en dat het beslag niet disproportioneel is gezien de omvang van de belastingschuld en het ontbreken van een geldige betalingsregeling. De vorderingen van Realpower worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De ontvanger mocht terecht beslag leggen omdat de betalingsregeling was vervallen door niet-nakoming.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202503092
Vonnis van 8 juni 2026
in de zaak van
REALPOWER GENERAL CONTRACTORS N.V.,gevestigd in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.C. Small,
tegen
DE ONTVANGER DER BELASTINGEN,
gevestigd in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.L. Rosaria,
Partijen worden hierna Realpower en de Ontvanger genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 14 augustus 2025,
  • de conclusie van antwoord,
  • de nadere productie van Realpower,
  • de mondelinge behandeling van 23 maart 2026,
  • de pleitnotities van partijen.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Ontvanger heeft op 9 juli 2025 beslag gelegd ten laste van Realpower op roerende goederen uit kracht van drie dwangschriften voor samen Cg 1.571.916,16 (2025DW1720295, 2025 DW 1720297 en 2025DW1720299). Daarbij is vermeld dat op 27 augustus 2025 een openbare verkoop zal volgen.
2.2.
Realpower heeft op 13 augustus 2025 een verzetschrift tegen dit beslag aan de Ontvanger laten betekenen, waarna zij de onderhavige zaak is begonnen.

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1.
Realpower vordert de opheffing van het beslag, alsmede schadevergoeding op te maken bij staat voor het geval tot veiling wordt overgegaan.
3.2.
De Ontvanger heeft verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
Deze procedure betreft verzet tegen de tenuitvoerlegging van dwangschriften, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake belastingen, bijdragen en vergoedingen (P.B. 1942-246, zoals gewijzigd), hierna: de Lv Dwanginvordering.
4.2.
Volgens Realpower is het beslag onrechtmatig. Daartoe voert Realpower aan dat de Ontvanger niet gerechtigd was tot dwanginvordering, omdat er een betalingsregeling liep, waaraan Realpower grotendeels voldeed. Voor Realpower was niet duidelijk dat en waarom deze regeling door de Ontvanger is beëindigd. Verder heeft de Ontvanger gerechtvaardigde verwachtingen bij Realpower gewekt. Ten slotte is het gelegde beslag disproportioneel, aldus Realpower.
4.3.
De Ontvanger betwist dat hij niet gerechtigd was tot dwanginvordering. De betalingsverplichting werd niet volledig nagekomen, in die zin dat niet alle betalingen zijn verricht en dat de lopende verplichtingen niet werden nagekomen. Als gevolg daarvan is de betalingsregeling van rechtswege komen te vervallen, aldus de Ontvanger.
4.4.
Het gerecht overweegt als volgt. De Ontvanger heeft, onder verwijzing naar productie 1 en 2 bij de conclusie van antwoord, onweersproken gesteld dat de betalingsregeling met Realpower op 4 augustus 2022 is getroffen, en dat deze op 18 oktober 2023 is herzien, waarbij alle belastingaanslagen van het jaar 2017 en ouder buiten invordering zijn gesteld. De stelling van Realpower dat de Ontvanger ten onrechte de wijziging van de schuldpositie na het buiten invordering stellen van oude aanslagen niet heeft meegewogen in de procedure om tot dwanginvordering over te gaan, mist dan ook feitelijke grondslag.
4.5.
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat Realpower sinds het treffen van de (herziene) betalingsregeling niet iedere maandelijkse termijn heeft voldaan. Ter zitting is, mede aan de hand van het door Realpower als productie 7 overgelegde betalingsoverzicht, gebleken dat partijen het er in elk geval over eens zijn dat twee termijnen in het voorjaar van 2025 niet zijn voldaan. Voorts heeft de Ontvanger voldoende onderbouwd dat Realpower gedurende in elk geval de periode van 1 januari 2025 tot 1 september 2025 niet heeft voldaan aan de lopende betalingsverplichtingen. Gedurende deze periode zijn door Realpower aangiften ingediend, maar betaling daarvan is achterwege gebleven. Realpower heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat haar achteraf was gebleken dat de aangiften ten onrechte zijn gedaan, omdat Realpower gedurende die periode geen personeel meer in dienst had, en alle contracten had omgezet naar nul-urencontracten. Volgens Realpower gold dan ook geen betalingsverplichting, reden waarom de aangiften niet zijn gevolgd door betalingen. Het gerecht laat in het midden de vraag of het geloofwaardig is dat Realpower niemand in dienst heeft, hetgeen gelet op de stellingen van de Ontvanger tussen partijen in geschil is. Ten tijde het overgaan tot dwanginvordering mocht de Ontvanger zich op het standpunt stellen dat niet aan de lopende betalingsverplichtingen werd voldaan, nu Realpower wel aangiften had ingediend, maar daarop geen betalingen heeft laten volgen.
4.6.
De Ontvanger heeft voorts, onder verwijzing naar productie 2 bij de conclusie van antwoord, onweersproken gesteld dat in de betalingsregeling staat dat deze zonder ingebrekestelling vervalt, indien een van de voorwaarden van de regeling niet wordt nagekomen, waaronder het voldoen van de maandelijks overeengekomen termijnen en het betalen van de lopende verplichtingen. Nu vast is komen te staan dat Realpower de voorwaarden voor de betalingsregeling niet (volledig) is nagekomen, heeft de Ontvanger de betalingsregeling terecht van rechtswege vervallen geacht.
4.7.
Voorts leidt de enkele stelling dat een groot deel van de termijnen wel is voldaan, en dat daarmee al een bedrag van Cg 250.000 is afgelost, niet tot het oordeel dat het gelegde beslag – overigens blijkens de dwangschriften voor schulden tot een bedrag van Cg 1.571.916,16 - disproportioneel is. Dat met het beslag op roerende zaken Realpower in haar bedrijfsvoering wordt beperkt, leidt evenmin tot dat oordeel. Weliswaar kan dit worden aangemerkt als een ingrijpende invorderingsactie, maar ten tijde van de het uitvaardigen van het dwangschrift liep er geen betalingsregeling noch was sprake van uitstel van betaling, terwijl het een aanzienlijke belastingschuld betrof.
4.8.
De slotsom is dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Ontvanger niet tot dwanginvordering kon of mocht overgaan. De van die stelling afgeleide vorderingen worden dan ook afgewezen.
4.9.
Omdat Realpower in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de Ontvanger worden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Realpower in de proceskosten van de Ontvanger, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. C.L. Navarro, griffier, en in het openbaar uitgesproken.