ECLI:NL:OGEAC:2026:107

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
CUR202505115R en CUR202600988R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak wegens kennelijke fout in uitspraak over handhavingsverzoek bouwflatgebouwen Zakitó-project

Op 17 juli 2026 deed het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao uitspraak over het beroep van omwonenden tegen de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning inzake het Zakitó-project, waarbij flatgebouwen werden gebouwd die afwijken van de vergunde bouwtekeningen.

Na de uitspraak bleek dat het dictum onjuist vermeldde dat het beroep ongegrond was, terwijl in de rechtsoverwegingen juist was vastgesteld dat het beroep gegrond was voor de flatgebouwen 3, 5, 6, 7 en 8. Het Gerecht constateerde dat er sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig kon worden hersteld.

De hersteluitspraak corrigeert het dictum door het beroep gegrond te verklaren voor zover het handhavingsverzoek betrekking heeft op de genoemde flatgebouwen, vernietigt de ministeriële beschikking voor dat onderdeel en draagt de minister op binnen twee maanden opnieuw te beslissen.

Daarnaast werd een datumcorrectie aangebracht in de rechtsoverwegingen, waarbij de datum van de ministeriële beschikking werd aangepast van 26 juni naar 19 juni 2026.

De uitspraak ter rectificatie is op 20 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter S. Lanshage en griffier H. van der Schaft, en is niet meer vatbaar voor rechtsmiddelen.

Uitkomst: Het Gerecht herstelt de uitspraak en verklaart het beroep gegrond voor de flatgebouwen 3, 5, 6, 7 en 8, vernietigt de ministeriële beschikking voor dat onderdeel en draagt de minister op opnieuw te beslissen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

uitspraak
ter rectificatie van de uitspraak van 17 juli 2027 in de zaak van:

[naam eiser 1],

[naam eiser 2],
[naam eiser 3],
[naam eiser 4],
[naam eiser 5],
[naam eiser 6],
[naam eiser 7],
[naam eiser 8],
[naam eiser 9],
[naam eiser 10],
[naam eiser 11],
gezamenlijk: eisers,
allen wonende te Curaçao,
gemachtigde: [naam eiser 1/gemachtigde],

tegen

de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,

verweerder,
gemachtigden: mrs. E.A.M.J. van den Berg,
met als derde-belanghebbende:

ROYAL HONLDING COMPANY II B.V.,

vergunninghouder,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud, advocaat,

Inleiding

1.1
Het Gerecht heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan op het beroep en verzoek van eisers met zaaknummers CUR202505115 en CUR202600988.
1.2
Nadien is gebleken dat de uitspraak twee kennelijke fouten bevat. Deze uitspraak strekt tot herstel van die fouten.

De beoordeling.

2.1
Het Gerecht stelt vast dat in rechtsoverweging 15.3 van de uitspraak het volgende is overwogen:
Eisers hebben in hun brief van 14 juli 2025 de minister verzocht om integraal handhavend op te treden tegen alle onderdelen van het project die niet in overeenstemming zijn met de geldende vergunningen. Vervolgens wordt in handhavingsverzoek 1 ingegaan op overschrijding van de maximale bouwhoogte. Na opdracht van het Gerecht daartoe heeft PTH onderzoek gedaan. Om te vraag te kunnen beantwoorden of sprake is van een overtreding, moest PTH bij dat onderzoek niet alleen de feitelijk gerealiseerde bouwhoogte meten, maar ook vergelijken met de vergunde bouwhoogtes. Bij het in beeld brengen van de vergunde bouwhoogtes heeft PTH vastgesteld dat er bij de flatgebouwen 2, 3, 5, 6, 7 en 8 in afwijking van de vergunde bouwtekeningen is gebouwd. Dat is een overtreding. Artikel 7, aanhef en onder c, bepaalt immers dat het verboden is een gebouw op te richten in afwijking van het bepaalde in de bouwvergunning, behoudend nadere goedkeuring. Anders dan bij flatgebouw 2, geldt dat voor de gebouwen 3, 5, 6, 7 en 8 geen concreet zicht op legalisatie is. Er is geen aanvraag door vergunninghouder ingediend voor een wijziging van de verleende vergunning. Dat er na vergunningverlening constructietekeningen zijn ingediend die zijn goedgekeurd door de minister en dat er vervolgens ook conform deze constructietekeningen is gebouwd, maakt het voorgaande niet anders. Deze constructietekeningen zijn immers niet vergund en er ligt geen aanvraag daarvoor. Het Gerecht beschikt bovendien niet over deze constructietekeningen en kan dus niet verifiëren of deze constructietekeningen daadwerkelijk zijn goedgekeurd. Nu sprake is van een overtreding, eisers verzocht hebben daartegen handhavend op te treden en ten tijde van de beslissing van 19 juni 2026 geen concreet zicht is op legalisatie, kon de minister het handhavingsverzoek 1 van eisers dus niet afwijzen.
2.2
In rechtsoverweging 15.5 heeft het Gerecht vervolgens het volgende overwogen:
Het Gerecht zal het beroep tegen de beschikking van 19 juni 2026 gegrond verklaren. Het Gerecht zal die beschikking vernietigen, voor zover de minister het handhavingsverzoek 1 van eisers heeft afgewezen. De minister heeft dat niet kunnen doen, omdat er voor de flatgebouwen 3, 5, 6, 7 en 8 in afwijking van de vergunde bouwtekeningen is gebouwd en er geen concreet zicht op legalisatie is. Als de minister bereid is om ook deze overtredingen te legaliseren, dan zal vergunninghouder daartoe eerst een aanvraag moeten indienen.
2.3
Verder heeft het Gerecht onder het kopje
Conclusie en gevolgen, in rechtsoverweging 16, het volgende overwogen:
Als het gaat om handhavingsverzoek 1 heeft de minister in deze procedure een nieuwe beschikking gegeven. Het beroep van eisers tegen deze beschikking van 19 juni 2026 is gegrond. Weliswaar heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, maar dat geldt alleen voor flatgebouw 2. Ten aanzien van de andere flatgebouwen zal de minister opnieuw moeten beslissen op het handhavingsverzoek van eisers.
2.4
In het dictum van de uitspraak is vervolgens bepaald dat het beroep tegen de beschikking van 19 juni 2026 ongegrond wordt verklaard.
2.5
Het Gerecht overweegt dat uit rechtsoverwegingen 15.3, 15.5 en 16 van de uitspraak onmiskenbaar blijkt waarom en ten aanzien van welk onderdeel het beroep van eisers tegen de beschikking van 19 juni 2026 gegrond is verklaard. Daaruit volgt immers dat de minister het handhavingsverzoek 1 ten onrechte heeft afgewezen voor zover dit betrekking heeft op de overtreding dat de flatgebouwen 3, 5, 6, 7 en 8 in afwijking van de vergunde bouwtekeningen zijn gebouwd. Ten aanzien van die overtreding was ten tijde van de beschikking geen sprake van concreet zicht op legalisatie.
2.6
Tegen deze achtergrond is het dictum evident onjuist. Er is sprake van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Het Gerecht zal deze fout daarom op de hierna te vermelden wijze herstellen.
2.7
Daarnaast stelt het Gerecht vast dat in rechtsoverweging 1.1 van de uitspraak een beschikking van de minister van 26 juni 2026 wordt genoemd. Dit betreft een kennelijke verschrijving. Deze beschikking van de minister dateert van 19 juni 2026. Het Gerecht zal deze fout op de hierna te vermelden wijze herstellen.

Beslissing

Het Gerecht
bepaaltdat aangehechte uitspraak van 17 juli 2026 met zaaknummers
CUR202505115 en CUR202600988 als volgt wordt hersteld.
Het Gerecht:
- herstelt het dictum van die uitspraak in die zin dat waar staat:
- verklaarthet beroep van eisers [eiser 1], [eiser 3], [eiser 5], [eiser 8], [eiser 9] en [eiser 10] tegen de beschikking van 19 juni 2026
ongegrond;
wordt gewijzigd in:
- verklaarthet beroep van eisers [eiser 1], [eiser 3], [eiser 5], [eiser 8], [eiser 9] en [eiser 10] tegen de beschikking van 19 juni 2026
gegrondvoor zover daarbij het verzoek om handhavend op te treden tegen het bouwen van de flatgebouwen 3, 5, 6, 7 en 8 in afwijking van de vergunde bouwtekeningen is afgewezen;
- vernietigtde beschikking van 19 juni 2026 in zoverre;
- draagtde minister op om binnen een termijn van twee maanden na de datum van deze hersteluitspraak opnieuw te beslissen op het handhavingsverzoek voor zover dat betrekking heeft op het bouwen van de flatgebouwen 3, 5, 6, 7 en 8 in afwijking van de vergunde bouwtekeningen.
- wijzigt de in de derde volzin van rechtsoverweging 1.1 genoemde datum van de beschikking van 26 juni in 19 juni 2026;
- handhaaft de uitspraak van 17 juli 2026 voor het overige.
Deze uitspraak ter rectificatie is gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.