ECLI:NL:OGEAC:2026:110

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
CUR202600088
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 LarArt. 57 LarArt. 60 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig productieplafond psycholoog

Eiser, een vrijgevestigd neuropsycholoog, vordert schadevergoeding van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) wegens het opleggen van een productieplafond dat zijn omzet en behandelmogelijkheden beperkte. De SVB wees het verzoek af omdat eiser de schade niet met bewijsstukken onderbouwde.

Het Gerecht oordeelt dat het besluit tot het productieplafond onrechtmatig was, mede omdat het geen wettelijke grondslag heeft en het plafond inmiddels is opgeheven. De bezwaarprocedure tegen het productieplafond loopt formeel nog, maar eiser heeft geen belang meer bij voortzetting daarvan omdat de schadevergoeding in deze procedure wordt beoordeeld.

Eiser heeft een schadeberekening overgelegd, maar zonder onderliggende stukken die de omvang en het bestaan van de schade verifiëren. De SVB heeft dit gemotiveerd betwist. Het Gerecht volgt de SVB en concludeert dat eiser niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. Daarom blijft de afwijzing van het schadeverzoek in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van schadevergoeding wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van schade.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak tussen:

[naam eiser],

eiser,
domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigden in Curaçao,
gemachtigden: mrs. E.L. Virginie en S.J.C. Anthonio, advocaten,
en

de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

verweerster,
gemachtigde: mr. S.S.J. Vierbergen.
Partijen worden in deze uitspraak hierna [eiser] en de SVB genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiser] tegen de weigering door de SVB om aan [eiser] schadevergoeding toe te kennen wegens het opleggen van een zogenoemd productieplafond.
1.1
Op 23 augustus 2024 heeft [eiser] bij de SVB een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens de periode waarin aan hem als vrijgevestigd psycholoog een productieplafond was opgelegd.
1.2
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de SVB dit verzoek afgewezen. Het bezwaar van [eiser] tegen deze afwijzing heeft de SVB niet tot een ander oordeel gebracht. Bij beschikking van 25 november 2025 heeft de SVB het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd (de bestreden beschikking).
1.3 [
Eiser] heeft tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld en daarbij een beroepschrift met producties ingediend.
1.4
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift met bijbehorende producties.
1.5
Op 19 mei 2026 heeft [eiser] drie nadere producties ingediend.
1.6
De SVB heeft op 26 mei 2026 een aanvullende productie ingediend.
1.7
Het Gerecht heeft het beroep van [eiser] op 27 mei 2026 ter zitting behandeld. [Eiser] was hierbij aanwezig, samen met zijn gemachtigden. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door de heer [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2], beiden werkzaam bij de SVB.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
2.1
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.
De beschikking waarbij aan [eiser] een productieplafond is opgelegd, heeft geen formele rechtskracht verkregen. Daarom kan de rechtmatigheid van die beschikking in deze procedure worden beoordeeld. Het Gerecht is van oordeel dat het productieplafond onrechtmatig is. [Eiser] heeft de door hem als gevolg daarvan gestelde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk gemaakt. De SVB heeft het verzoek om schadevergoeding al daarom terecht afgewezen.
2.2
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1 [
Eiser] is als vrijgevestigd neuropsycholoog werkzaam in onder meer Curaçao.
3.2
Bij brief van 30 mei 2016 heeft de SVB [eiser] meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2017 een productieplafond zal hanteren voor alle medewerkende psychologen. Het productieplafond is vastgesteld op 2.340 patiëntgebonden uren, wat overeenkomt met een maximale omzet van Cg 283.755,- per kalenderjaar. Declaraties voor behandelingen en verrichtingen die binnen het kalenderjaar boven het productieplafond uitkomen, worden niet uitbetaald.
3.3
Bij brief van 5 juli 2016 heeft de Curaçaose psychologenvereniging PsyCur, voor zover de brief van 30 mei 2016 als beschikking kan worden aangemerkt, namens in ieder geval een aantal van haar leden bezwaar gemaakt tegen die brief.
3.4
Bij vonnis van 13 juni 2022 heeft de civiele rechter van het Gerecht in eerste aanleg de SVB bij verstek veroordeeld om binnen dertig dagen na de betekening van het vonnis het aan [eiser] opgelegde productieplafond op te heffen.
3.5
De SVB heeft het productieplafond op 13 juni 2022 opgeheven.
Waaruit bestaat het verzoek om schadevergoeding?
4. [ Eiser] stelt schade te hebben geleden als gevolg van het aan hem opgelegde productieplafond. Volgens [eiser] bestaat deze schade uit omzetschade, omdat hij gedurende de periode waarin het productieplafond van kracht was minder patiënten heeft kunnen behandelen en daardoor minder behandelingen heeft kunnen declareren. Volgens [eiser] bedraagt de door hem geleden materiële schade Cg 927.393, -, exclusief een afzonderlijke schadepost wegens reputatieschade van 25% van de materiële schade.
Waarom heeft de SVB dit verzoek afgewezen?
5. In de bestreden beschikking heeft de SVB aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat de gestelde schade niet aan haar kan worden toegerekend, dat niet is gebleken dat [eiser] als gevolg van het productieplafond schade heeft geleden en dat [eiser] de gestelde schade niet met bewijsstukken heeft onderbouwd.
Waarom is [eiser] het daarmee oneens en wat vindt het Gerecht?
6. [ Eiser] heeft meerdere beroepsgronden tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Het Gerecht zal deze beroepsgronden bespreken aan de hand van de vereisten voor toekenning van schadevergoeding. Daartoe zal het Gerecht eerst het in dit soort zaken geldende toetsingskader uiteenzetten.
Wat is het toetsingskader in deze zaak?
7.1
In deze zaak gaat het om een verzoek om een zelfstandig schadebesluit wegens een opgelegd productieplafond. De Lar bevat, anders dan de Awb in Nederland, geen bijzondere regeling voor bestuursrechtelijke schadevergoeding. Uit vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0579) volgt echter dat een schriftelijk besluit op een verzoek om vergoeding van schade die is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, een besluit is in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Lar. Nu [eiser] stelt schade te hebben geleden als gevolg van de beschikking waarbij hem een productieplafond is opgelegd, en deze beschikking is genomen in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, is aan het vereiste van materiële connexiteit voldaan. Nu tegen de beschikking waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt bezwaar en beroep openstonden, is daarnaast voldaan aan het vereiste van processuele connexiteit.
7.2
Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit, dat causaal verband bestaat tussen dat besluit en de gestelde schade en dat het bestaan en de omvang van de schade aannemelijk zijn gemaakt.
Kan [eiser] de onrechtmatigheid van het productieplafond in deze procedure aan de orde stellen?
8. Volgens de SVB kan [eiser] de gestelde onrechtmatigheid van de beschikking waarbij aan hem een productieplafond is opgelegd in deze procedure niet met succes aan de orde stellen. Daartoe voert de SVB aan dat deze beschikking formele rechtskracht heeft verkregen. Volgens de SVB is de beschikking waarbij aan [eiser] een productieplafond is opgelegd in rechte onaantastbaar geworden, omdat [eiser] daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. In een dergelijk geval bestaat slechts in uitzonderlijke gevallen nog aanspraak op schadevergoeding. Geen van de in de rechtspraak aangenomen uitzonderingsgevallen doet zich in het geval van [eiser] voor. De brief van PsyCur leidt volgens de SVB niet tot een ander oordeel. Deze brief is destijds niet als bezwaarschrift aangemerkt. Waarom dat niet is gebeurd, kan niet meer worden vastgesteld. In ieder geval geldt dat de brief is verzonden namens een aantal leden van de vereniging, zonder dat duidelijk is wie deze leden waren. Ook indien de brief als bezwaarschrift zou moeten worden aangemerkt, staat daarom niet vast dat mede namens [eiser] bezwaar is gemaakt. En zelfs als daarvan zou moeten worden uitgegaan, kan volgens de SVB niet worden volgehouden dat die bezwaarprocedure ongeveer tien jaar later nog steeds aanhangig is.
9. [ Eiser] betwist dat de beschikking formele rechtskracht heeft verkregen. Volgens hem is namens een aantal leden van de vereniging bezwaar gemaakt tegen de invoering van het productieplafond. Omdat slechts een beperkt aantal leden in de jaren voorafgaand aan de invoering van het productieplafond boven dat plafond declareerde, was voor de SVB voldoende duidelijk dat [eiser] behoorde tot de leden namens wie bezwaar werd gemaakt. Nu de SVB vervolgens nooit op dit bezwaarschrift heeft beslist, is volgens [eiser] sprake van een nog lopende bezwaarprocedure. De beschikking is daarom niet in rechte onaantastbaar geworden.
10. Het Gerecht volgt de SVB niet in haar standpunt dat de beschikking waarbij aan [eiser] een productieplafond is opgelegd formele rechtskracht heeft verkregen. Daarbij is het volgende van belang.
10.1
Naar het oordeel van het Gerecht blijkt uit de brief van 5 juli 2016 voldoende duidelijk dat is beoogd bezwaar te maken tegen de oplegging van het productieplafond, voor zover de brief waarbij het productieplafond is opgelegd als een beschikking moest worden aangemerkt. Inmiddels staat tussen partijen niet langer ter discussie – en ook het Gerecht stelt vast – dat de brief waarbij het productieplafond is opgelegd een beschikking is in de zin van de Lar. Uit de brief van 5 juli 2016 blijkt verder dat het bezwaar is ingediend door de vereniging en “namens in ieder geval een deel” van haar leden. [Eiser] stelt dat hij een van deze leden is en dat het bezwaarschrift mede namens hem is ingediend.
10.2
Op grond van artikel 57, vierde lid, aanhef en onder a, van de Lar dient een bezwaarschrift de naam en voornamen van de bezwaarde te bevatten. Als een bezwaarschrift niet aan deze eis voldoet, dient de bezwaarde op grond van artikel 60, eerste lid, van de Lar in de gelegenheid te worden gesteld dit verzuim te herstellen. [Eiser] stelt dat hij een van de leden is namens wie bezwaar is gemaakt. Het Gerecht is van oordeel dat dit uit het bezwaarschrift weliswaar onvoldoende duidelijk blijkt, maar dat het op de weg van de SVB had gelegen om de vereniging in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen door aan te geven namens welke leden bezwaar is gemaakt. Nu de SVB dit heeft nagelaten, kan zij zich in deze procedure niet op deze onduidelijkheid beroepen en [eiser] tegenwerpen dat onvoldoende vaststaat dat ook namens hem bezwaar is gemaakt.
10.3
Vast staat dat op het bezwaarschrift nooit is beslist. Dat betekent dat nog steeds sprake is van een lopende bezwaarprocedure. Dat inmiddels ongeveer tien jaar zijn verstreken, brengt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid zou kunnen worden betoogd dat een bezwaarprocedure, zeker wanneer de bezwaarmaker gedurende een lange periode geen navraag heeft gedaan naar de stand van zaken, niet onbeperkt aanhangig kan blijven. Het Gerecht heeft echter geen aanknopingspunten gevonden in de wet of de rechtspraak voor het oordeel dat een bezwaarschrift onder dergelijke omstandigheden geacht moet worden te zijn ingetrokken of dat de bezwaarprocedure anderszins is geëindigd. Bij gebrek aan dergelijke aanknopingspunten gaat het Gerecht ervan uit dat formeel nog steeds sprake is van een lopende bezwaarprocedure. De beschikking waarbij aan [eiser] een productieplafond is opgelegd, heeft daarom geen formele rechtskracht verkregen.
Was sprake van een onrechtmatige beschikking?
11. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiser] in deze zaak geen belang meer bij de behandeling van zijn bezwaar. Het productieplafond is immers op
13 juni 2022 opgeheven en de door [eiser] gestelde geleden schade komt in deze procedure aan de orde. Het Gerecht acht het niet opportuun dat voor het bezwaar van [eiser] de bezwaarprocedure nu nog wordt doorlopen. Het Gerecht geeft een oordeel over de rechtmatigheid van de beschikking waarbij aan [eiser] een productieplafond is opgelegd. Het Gerecht is met [eiser] van oordeel dat die beschikking onrechtmatig was. Daartoe is redengevend dat het Gerecht bij uitspraak van 9 augustus 2021 (ECLI:NL:OGEAC:2021:145) heeft geoordeeld dat voor de oplegging van een eenzijdig productieplafond aan medisch specialisten geen wettelijke grondslag bestaat. Het Hof heeft dit oordeel bij uitspraak van 29 juni 2022 (ECLI:NL:OGHACMB:2022:61) bevestigd. Dat [eiser] geen medisch specialist, maar medewerkend psycholoog is, doet aan die redenering niet af. Het ontbreken van een wettelijke grondslag geldt namelijk ook voor de oplegging van een eenzijdig productieplafond aan [eiser]. Verder neemt het Gerecht in aanmerking dat de civiele voorzieningenrechter de SVB heeft veroordeeld het aan [eiser] opgelegde productieplafond op te heffen en dat de SVB aan die veroordeling uitvoering heeft gegeven. De SVB heeft dat oordeel nadien niet in een verzet- of bodemprocedure aan de rechter voorgelegd.
Heeft [eiser] de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk gemaakt?
12. Het Gerecht stelt voorop dat het aan de verzoeker is om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. De bewijslast van het bestaan van de schade en de omvang daarvan rust in beginsel op degene die stelt schade te hebben geleden. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van het Hof van
29 mei 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:59) en 7 januari 2026 (ECLI:NL:OGHACMB:2026:2).
13.1 [
Eiser] heeft zijn verzoek om schadevergoeding in beroep onderbouwd met een productie van 22 januari 2026 van [naam directeur], directeur van Sybe Financial Services B.V. In deze productie gaat [directeur] ervan uit dat het productieplafond van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2022 heeft geduurd dan wel feitelijk heeft doorgewerkt, omdat het na opheffing van dit plafond nog enige tijd heeft geduurd voordat de activiteiten van de praktijk weer konden worden opgeschaald naar het oude niveau. Vervolgens heeft [directeur] aan de hand van de jaarcijfers over de periode van 2017 tot en met 2022 de gemiddelde brutomarge per kalenderjaar in kaart gebracht. Volgens [directeur] is deze brutomarge sinds de introductie van het productieplafond gemiddeld gedaald van Cg 500.213,- naar Cg 413.207,- per kalenderjaar. Dit komt neer op een totaalverlies van Cg 1.116.033,-. Daar staat tegenover dat de gemiddelde jaarlijkse kosten door de lagere productie met Cg 31.440,- zijn afgenomen, hetgeen heeft geleid tot een totale kostenbesparing van Cg 188.640,- over de gehele periode. [Directeur] concludeert daarom dat het productieplafond heeft geleid tot een materiële schade van in totaal Cg 927.393,- (Cg 1.116.033,- minus Cg 188.640,-). Daarnaast dient volgens [directeur] een schadepost van 25% van de materiële schade te worden toegekend wegens de reputatieschade die [eiser] als gevolg van het productieplafond heeft geleden.
13.2
Ter zitting heeft [eiser] deze productie nader toegelicht. De bedragen die in het overzicht onder
‘omzet consulten’zijn vermeld, zijn berekend aan de hand van het aantal verrichte consulten vermenigvuldigd met het tarief dat [eiser] daarvoor bij de SVB kan declareren. De bedragen onder
‘kostprijs consulten’hebben betrekking op betalingen die [eiser] heeft verricht aan personen die voor hem bepaalde voorbereidingswerkzaamheden hebben uitgevoerd. Het verschil tussen de omzet van de consulten en de kostprijs daarvan vormt de brutomarge. Volgens [eiser] bedroeg deze brutomarge vóór de invoering van het productieplafond tussen de Cg 400.000,- en Cg 500.000,- per jaar. Na de invoering van het productieplafond laat het overzicht volgens [eiser] een aanzienlijke daling van de brutomarge zien.
14. De SVB heeft de door [eiser] gegeven onderbouwing gemotiveerd betwist. Daarbij heeft de SVB onder meer aangevoerd dat de onderliggende stukken ontbreken. [Eiser] heeft al in de bezwaarfase toegezegd deze stukken te zullen verstrekken, maar heeft dat niet gedaan. Ook in beroep heeft [eiser] nagelaten de onderliggende stukken over te leggen. Volgens de SVB kunnen de in het overzicht opgenomen bedragen daardoor niet worden geverifieerd.
15. Het Gerecht volgt de SVB in haar standpunt dat [eiser] de door hem gestelde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk heeft gemaakt. [Eiser] heeft het door hem overgelegde overzicht van de gestelde schade niet met onderliggende stukken onderbouwd. Daardoor kan niet worden vastgesteld waarop de daarin opgenomen bedragen zijn gebaseerd en kan evenmin worden gecontroleerd of deze overeenkomen met de daadwerkelijk genoten inkomsten en gemaakte kosten. Dit geldt temeer nu onder het kopje
‘omzet consulten’alle consulten van [eiser] zijn opgenomen, zonder onderscheid te maken tussen consulten die voor rekening van de SVB kwamen en overige consulten. De SVB heeft [eiser] al in de bezwaarfase op dit gebrek gewezen. Desondanks heeft [eiser] ook in beroep volstaan met het overleggen van een overzicht, zonder de daaraan ten grondslag liggende gegevens te verstrekken. Hierdoor ontbreekt iedere mogelijkheid om de gestelde schade en de omvang daarvan te verifiëren. Het Gerecht is daarom van oordeel dat [eiser] niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om de gestelde schade aannemelijk te maken. De SVB heeft het verzoek om schadevergoeding al daarom terecht afgewezen. Het Gerecht komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatige besluit.

Conclusie en gevolgen

16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dat betekent de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand blijft.
17. Nu het Gerecht het beroep ongegrond zal verklaren, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mrs. S. Lanshage, voorzitter, J. Sybesma en P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.