ECLI:NL:OGEAC:2026:118

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
CUR202503000
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Invorderingsverordening 1954Art. 12 Invorderingsverordening 1954Landsverordening dwanginvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzet tegen dwanginvordering wegens niet-naleving betalingsregeling

Eiseres kreeg definitieve aanslagen voor premies AOV, AVBZ en BZV over 2022 en 2023 opgelegd. Na het niet nakomen van een betalingsregeling trok de Ontvanger deze in en vaardigde een dwangschrift uit voor openstaande belastingschulden. Eiseres kwam in verzet tegen het dwangschrift en stelde dat de Ontvanger niet bevoegd was tot dwanginvordering zolang een betalingsregeling werd beproefd.

De Ontvanger betwistte dit en stelde dat geen regeling was getroffen binnen de wettelijke termijn en dat eerdere betalingsregelingen niet waren nagekomen. Het gerecht oordeelde dat op grond van de Invorderingsverordening 1954 de Ontvanger bevoegd was tot dwanginvordering na het verstrijken van de betalingstermijn van veertien dagen na aanmaning.

De rechtbank stelde vast dat de bevoegdheid tot dwanginvordering niet werd opgeheven door het verzoek tot een nieuwe betalingsregeling na uitvaardiging van het dwangschrift. Het verzet werd daarom afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangschrift wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202503000
Vonnis van 30 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],wonend in [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. L. Delfgauw,
tegen
DE ONTVANGER VAN CURACAO,
gevestigd in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.L. Rosaria,
Partijen worden hierna [eiseres] en de Ontvanger genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 7 augustus 2025,
  • de conclusie van antwoord,
  • de nadere producties van [eiseres],
  • de mondelinge behandeling van 12 februari 2026,
  • de pleitnotities.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Aan [eiseres] zijn definitieve aanslagen premie Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) en Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten (AVBZ) over het jaar 2022 opgelegd, met dagtekening 23 augustus 2024.
2.2.
Aan [eiseres] zijn definitieve aanslagen premie AOV, AVBZ en Basisverzekering Ziektekosten (BZV) over het jaar 2023 opgelegd, met dagtekening 23 december 2024.
2.3.
Op 4 september 2024 heeft [eiseres] met de Ontvanger een betalingsregeling getroffen met betrekking tot de aanslagen premie AOV en BVZ over het jaar 2022. [eiseres] heeft in dit verband geen betalingen gedaan. Op 20 februari 2025 heeft de Ontvanger deze betalingsregeling ingetrokken.
2.4.
Bij brief met dagtekening 10 april 2025 heeft de Ontvanger [eiseres ] aangemaand binnen veertien dagen een bedrag van Cg 4.876 te betalen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan.
2.5.
De Ontvanger heeft op 14 juni 2025 ten laste van [eiseres] een dwangschrift met nummer [nummer] uitgevaardigd en die doen betekenen op 12 juli 2025. Het dwangschrift strekt tot betaling van openstaande belastingschulden, tot een totaalbedrag van Cg 4.925, waarvan Cg 4.866 voor “gevorderd bedrag”, vermeerderd met Cg 10 voor aanmaningskosten en Cg 49 voor de kosten van de akte. Blijkens de aan het dwangschrift gehechte aanslagenlijst ziet het dwangschrift op betaling van de aanslagen premie BVZ over de jaren 2022 en 2023, premie AVBZ over het jaar 2023 en premie AOV over de jaren 2022 en 2023.
2.6.
Bij e-mailbericht van 10 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan een medewerker Invordering van de Ontvanger te kennen gegeven dat de voorgestelde betalingsregeling voor bedrag van Cg 265 per maand voor [eiseres] niet haalbaar is, en verzocht of een betalingsregeling van Cg 121 per maand tot de mogelijkheden behoort.
2.7. [
eiseres] is bij een verzetschrift betekend aan de Ontvanger op 14 juli 2025 in verzet gekomen tegen dwangschrift [nummer].
2.8.
Op 17 oktober 2025 heeft [eiseres] met de Ontvanger een betalingsregeling getroffen met betrekking tot voormelde aanslagen.

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1. [
eiseres] vordert – samengevat – dat het gerecht het verzet gegrond verklaart, het dwangschrift vernietigt, dan wel de werking daaraan ontzegt, en de Ontvanger oplegt geen dwangschrift op te leggen, voordat definitief vaststaat dat geen betalingsregeling kan worden getroffen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van dit geding.
3.2. [
eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft de aanmaning ontvangen op 22 april 2025, maar eerst op 10 juli 2025 zijn de aanslagen over het jaar 2023 haar op haar verzoek toegezonden. Direct na ontvangst van de aanslagen, heeft zij een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling gedaan. Zolang daarop geen beslissing was gevolgd, was de Ontvanger niet bevoegd tot invorderen. Daar komt nog bij dat zij gezien de uitlatingen in dit verband door de (toenmalige) minister van Financiën, erop mocht vertrouwen dat 50% van het nog verschuldigde bedrag aan belastingen zou komen te vervallen, omdat zij aan de gestelde vereisten voldeed, aldus [eiseres].
3.3.
De Ontvanger voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen dan wel deze op inhoudelijke gronden af te wijzen.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting is zijdens [eiseres] te kennen gegeven dat het verzoek thans – alleen nog – strekt tot vergoeding van de gemaakte (proces)kosten. In dit verband voert zij aan dat inmiddels op verzoek van [eiseres ] een betalingsregeling met de Ontvanger is getroffen, welke regeling [eiseres] nakomt. [eiseres] volhardt evenwel in de aan het verzet ten grondslag gelegde stelling dat de Ontvanger ten tijde van de betekening van het dwangschrift niet bevoegd was tot invorderen, omdat partijen op dat moment een betalingsregeling aan het beproeven waren, naar aanleiding van het verzoek van [eiseres] daartoe bij e-mailbericht van 10 juli 2025. [eiseres] verwijst in dit verband naar artikel 12 van Pro de Invorderingsverordening 1954, waarin is bepaald dat indien de krachtens artikel 11 uitgereikte Pro aanmaning [strekkende tot betaling van het verschuldigde bedrag binnen veertien dagen] niet tot betaling of het treffen van een betalingsregeling heeft geleid, de Ontvanger overgaat tot dwanginvordering. Dit heeft ertoe geleid dat [eiseres] gehouden was om een verzetschrift tegen het dwangschrift te betekenen en dit geding bij het gerecht aanhangig te maken, om de tenuitvoerlegging van het dwangschrift te schorsen.
4.2.
De Ontvanger betwist dat artikel 12 van Pro de Invorderingsverordening in de weg stond aan zijn bevoegdheid tot het overgaan tot dwanginvordering krachtens de Landsverordening dwanginvordering. Daartoe voert hij aan dat de [eiseres] niet binnen de gestelde termijn gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van 10 april 2025, en evenmin binnen die termijn tussen partijen een betalingsregeling is getroffen. Ten tijde van het uitvaardigen van het dwangschrift en ten tijde van de betekening daarvan, was geen betalingsregeling getroffen. Daar komt bij dat het dwangschrift mede ziet op belastingschulden uit aanslagen, waarbij eerder getroffen betalingsregelingen door [eiseres] niet waren nagekomen, aldus de Ontvanger.
4.3.
Het gerecht overweegt als volgt. Op grond van artikel 12 van Pro de Invorderingsverordening gaat de Ontvanger, indien de krachtens artikel 11 uitgereikte Pro aanmaning niet tot betaling of het treffen van een betalingsregeling heeft geleid, over tot dwanginvordering. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Invorderingsverordening wordt de belastingschuldige, die in gebreke blijft de verschuldigde belasting voor of op de vervaldag te voldoen, door de Ontvanger aangemaand om alsnog binnen veertien dagen het verschuldigde te betalen onder kennisgeving dat hij bij gebreke daarvan rechtens tot betaling zal worden gedwongen. De tekst van artikel 12 brengt Pro niet met zich, dat ieder verzoek om het treffen van een betalingsregeling, op ieder moment voorafgaand aan de betekening van een dwangschrift, tot de conclusie moet leiden dat de Ontvanger niet bevoegd is tot dwanginvordering over te gaan, zoals uit het betoog van [eiseres] voortvloeit. In samenhang bezien met artikel 11, eerste lid, van de Invorderingsverordening, waarin is bepaald dat de betalingstermijn veertien dagen bedraagt, lijkt het er eerder op, dat ook voor het treffen van een betalingsregeling de termijn van veertien dagen geldt. Voor een andere uitleg van artikel 12 van Pro de Invorderingsverordening in deze zaak, vanwege het door [eiseres] geschetste verloop van de procedure, ziet het gerecht geen aanleiding. Niet in geschil is dat [eiseres] de aanmaning van 10 april 2025 op 22 april 2025, en dus voor het verstrijken van de vervaltermijn op 24 april 2025, heeft ontvangen. Om haar moverende redenen heeft zij evenwel, vanwege gestelde onbekendheid met (een deel van) de onderliggende aanslagen, ervoor gekozen om geen betalingen te doen dan wel te verzoeken om het treffen van een betalingsregeling. Ten tijde van het uitvaardigen van het dwangschrift op 14 juni 2025 was een betaling gedaan noch een regeling getroffen. Daarmee is naar het oordeel van het gerecht de bevoegdheid tot het overgaan tot dwanginvordering voor de Ontvanger gegeven. De tussen de uitvaardiging en betekening van het dwangschrift gelegen periode houdt volgens toelichting van de Ontvanger verband met de verwerking van de (zeer vele) door belastingdeurwaarders uit te brengen exploten. Dat tussen het uitvaardigen van het dwangschrift en het doen betekenen daarvan [eiseres ] alsnog heeft verzocht tot het treffen van een (nieuwe) betalingsregeling, doet de bevoegdheid tot dwanginvordering niet meer teniet gaan. Anders dan [eiseres] stelt, bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de Ontvanger het dwangschrift niet kon of mocht uitvaardigen en betekenen. De van die stelling afgeleide vordering tot veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten wordt dan ook afgewezen.
4.4.
Omdat [eiseres] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de Ontvanger worden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de Ontvanger, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. C.L. Navarro, griffier, en in het openbaar uitgesproken.