ECLI:NL:OGEAC:2026:125

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
CUR202601143
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:229 BWArt. 611a RvArt. 555 RvArt. 557 RvArt. 444 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming deelgenoot nalatenschap uit woning wegens huurachterstand

Eisers en gedaagde zijn deelgenoten in een nalatenschap waarin een woning is begrepen die door gedaagde en zijn echtgenote wordt bewoond. Bij vonnis van 23 januari 2023 werd de verdeling van de nalatenschap bevolen en vastgesteld dat gedaagde huurpenningen aan de nalatenschap verschuldigd is. Gedaagde heeft sinds 1 augustus 2015 geen huur betaald, waardoor een aanzienlijke huurachterstand is ontstaan.

Eisers vorderen in kort geding de ontruiming van de woning en de partij tot betaling van de huurachterstand. Gedaagde voert verweer met een verrekeningsverweer en stelt dat hij als mede-eigenaar gerechtigd is tot gebruik van de woning. Tevens beroept hij zich op de proportionaliteit van ontruiming vanwege de gezondheidstoestand van zijn echtgenote.

Het gerecht oordeelt dat het verrekeningsverweer niet slaagt en dat de huurachterstand voldoende grond vormt voor ontruiming. Gelet op de ingrijpende aard van ontruiming wordt een termijn van drie maanden gegeven om vervangende woonruimte te vinden, rekening houdend met de gezondheidssituatie. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen, de dwangsom afgewezen en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen drie maanden wegens huurachterstand.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202601143
Vonnis in kort geding van 16 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],3. [eiser 3],4. [eiser 4],5. [eiser 5],6. [eiser 6],7. [eiser 7],

allen wonende in [woonplaats],
eisers, gemachtigde: mr. S.C. Larmonie
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.T.J. Cicilia,

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 8 april 2026,
  • de conclusie van antwoord van 29 april 2026,
  • de mondelinge behandeling van 29 april 2026,
  • de pleitnotitie van eisers,
  • de aktes uitlating voortprocederen.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven een minnelijke regeling te willen beproeven en het gerecht te berichten bij een akte uitlating voortprocederen. Partijen hebben te kennen gegeven geen regeling te hebben bereikt. Vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Eisers en gedaagde zijn deelgenoten in een nalatenschap. Daarvan maakt deel uit de woning met bijbehorende grond, gelegen aan [woning]. Gedaagde bewoont deze woning samen met zijn echtgenote.
2.2.
Bij vonnis van 23 januari 2023 heeft het gerecht onder meer de verdeling van de nalatenschap bevolen. Het gerecht heeft bij deze uitspraak onder meer overwogen:
“Het gerecht gaat er dan ook van uit dat er tussen [gedaagde] en [eiser 1] een huurovereenkomst heeft bestaan voor de huur van de thans door [gedaagde] bewoonde woning. Dat dit huurovereenkomst door het overlijden van erflater is beëindigd, is onjuist. Artikel 7:229 eerste Pro lid bepaalt immers dat de dood van de verhuurder de huur niet doet eindigen. Dit betekent dat [gedaagde] na het overlijden van erflater de huurpenningen verschuldigd is aan de nalatenschap van erflater. Dat de huur meer dan NAf 250 per maand bedraagt is door eisers in conventie onvoldoende onderbouwd gesteld, zodat de door [gedaagde] aan de nalatenschap verschuldigde huur op het bedrag van NAf 250 per maand zal worden bepaald, ingaande 1 augustus 2015. (….)”
2.3.
Gedaagde heeft de verschuldigde huur sinds 1 augustus 2015 niet betaald.

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1.
Eisers vorderen – samengevat – dat het gerecht het vonnis van 23 januari 2023 partieel vernietigt en gedaagde en diens echtgenote veroordeelt tot ontruiming van de woning binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom. Aan deze vordering leggen eisers ten grondslag dat gedaagde sinds 1 augustus 2015 geen huurbetalingen heeft verricht, waardoor een aanzienlijke huurachterstand is ontstaan. Volgens eisers rechtvaardigt deze tekortkoming de ontruiming van het gehuurde. Eisers stellen een spoedeisend belang bij hun vordering te hebben, nu zij een potentiële koper voor de woning hebben gevonden die de woning wenst te kopen.
3.2.
Gedaagde voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers, althans tot afwijzing van de vorderingen. Hij stelt zich bereid een gebruikersvergoeding te betalen, mits duidelijk is aan wie hij bevrijdend kan betalen. Gedaagde stelt voorts dat hij als mede-eigenaar gerechtigd is tot gebruik van de woning en dat zijn opgelopen huurschuld kan worden verrekend met zijn aandeel in de nalatenschap. Verder betoogt gedaagde dat het gerecht bij de beoordeling van de vordering een belangenafweging dient te maken. Ter onderbouwing verwijst hij naar een arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, waaruit volgens hem volgt dat een ontruiming slechts kan worden toegewezen indien deze proportioneel is. Volgens gedaagde is de gevorderde ontruiming niet proportioneel, omdat zijn echtgenote op korte termijn een hartoperatie moet ondergaan. Een ontruiming zou haar herstel belemmeren en gezondheidsrisico’s met zich brengen. Tot slot voert gedaagde aan dat hij en zijn echtgenote niet over vervangende woonruimte beschikken.

4.De beoordeling

4.1.
Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding - welke toewijzing bijna altijd een definitief karakter heeft - is alleen plaats indien met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid de bodemrechter tot eenzelfde oordeel zal komen en de uitkomst van de bodemprocedure, vanwege een spoedeisend belang aan de zijde van verhuurder, niet kan worden afgewacht.
4.2.
Het spoedeisend belang van eisers volgt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.
Partiële vernietiging4.3. De vordering tot vernietiging van het vonnis van 23 januari 2023 moet worden afgewezen, nu hetgeen wordt gevorderd rechtens niet mogelijk is.
Bevrijdend betalen en verrekeningsverweer4.4. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende gebleken dat gedaagde vanaf 1 augustus 2015 een bedrag van Cg 250 per maand aan huur onbetaald heeft gelaten. Dit is door gedaagde niet betwist. Gedaagde heeft aangevoerd dat onduidelijk is aan wie bevrijdend kan worden betaald en heeft daarnaast een beroep gedaan op verrekening, stellende dat de huurschuld bij de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken.
4.5.
Deze verweren slagen niet. Gelet op hetgeen in het vonnis van 23 januari 2023 is overwogen, had het voor gedaagde voldoende duidelijk moeten zijn dat de huur verschuldigd is aan de nalatenschap. Eventuele praktische vragen over de wijze van betaling komen voor rekening en risico van gedaagde en ontheffen hem niet van zijn betalingsverplichting. Niet in geschil is dat gedaagde ook na dit vonnis in het geheel geen betalingen heeft verricht (zie 2.3.). Ten aanzien van het beroep op verrekening overweegt het gerecht dat gedaagde gedurende een periode van bijna elf jaar geen betalingen heeft verricht, waardoor de huurachterstand aanzienlijk is opgelopen. Gelet hierop en op het aantal deelgenoten in de nalatenschap en de waarde van het onroerend goed kan dit verweer, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet (langer) worden gehandhaafd.
Ontruiming4.5. De gevorderde ontruiming is toewijsbaar. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt deze maatregel. Daarbij geldt dat volgens vaste rechtspraak een huurachterstand van drie maanden in beginsel voldoende grond vormt voor ontruiming. Daarvan is in dit geval ruimschoots sprake.
4.6.
Het gerecht bepaalt de termijn voor ontruiming op drie maanden. Ontruiming is een ingrijpende maatregel, zodat gedaagde en zijn echtgenote voldoende gelegenheid moeten krijgen om vervangende woonruimte te vinden en de inboedel te verplaatsen. Daarbij is ook rekening gehouden met de door gedaagde gestelde gezondheidstoestand van echtgenote van gedaagde.
4.7.
De vordering van eiseres om de ontruiming desnoods met behulp van de
sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen wordt op na te melden wijze
toegewezen.
Dwangsom
4.8.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Uit artikel 611a Rv volgt dat de
rechter een dwangsom kan opleggen aan een partij voor het geval deze niet voldoet
aan een veroordeling. Deze dwangsom is bedoeld als prikkel om naleving van de
veroordeling te verzekeren. In dit geval wordt geoordeeld dat de reeds toegewezen
mogelijkheid om de ontruiming desnoods met behulp van de sterke arm van politie
en justitie te bewerkstelligen, een voldoende waarborg vormt voor de naleving van
de veroordeling, zodat een aanvullende dwangsom niet noodzakelijk is.
Proceskosten
4.8.
Gedaagde wordt, omdat hij in het ongelijk worden gesteld,
veroordeeld in de proceskosten. De kosten van eisers worden tot aan deze uitspraak
begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 375,50 aan oproepingskosten en Cg 1.000 aan
gemachtigdensalaris.
4.9.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.
4.10.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.

5.De beslissing in kort geding

Het gerecht:
5.1.
veroordeelt gedaagde om de woning gelegen aan [woning] te Curaçao binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, met alle daarin aanwezige goederen en de woning schoon achter te laten en ter vrije beschikking van eisers te stellen;
5.2.
verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden als gedaagde in gebreke blijft met de ontruiming, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent alvast toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 en Pro 444 lid 2 Rv;
5.3.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eisers van Cg 1.825,50, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
5.4.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.