ECLI:NL:OGEAC:2026:17

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
CUR202500012
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 BWArt. 3:309 BWArt. 6:263 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling koopprijs na vernietigde koopovereenkomst

In deze zaak vordert eiser terugbetaling van de in 2016 betaalde koopprijs voor een perceel, nadat de koopovereenkomst door gedaagde is vernietigd wegens het ontbreken van het schriftelijkheidsvereiste. De rechtbank bevestigt dat de koopprijs onverschuldigd is betaald en dat gedaagde deze moet terugbetalen.

Gedaagde stelde verjaring van de vordering in, maar de rechtbank oordeelt dat de vordering pas is ontstaan bij de vernietiging in 2023, zodat de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Ook het verweer dat de betaling niet door eiser zelf maar door derden is gedaan, leidt niet tot afwijzing van de vordering, aangezien betaling door derden de verbintenis kan nakomen.

De onzekerheidsexceptie wordt toegepast om te voorkomen dat gedaagde tweemaal tot terugbetaling wordt aangesproken door de derden die de betaling deden. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot terugbetaling van de koopprijs, incassokosten en wettelijke rente, en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs, incassokosten en wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202500012
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Vonnis in de zaak van
[EISER],
wonend in Curaçao,
eiser,
gemachtigde: mr. S.K. Snel,
tegen
[GEDAAGDE],
wonend in Rotterdam, Nederland,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Bokkes.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 31 januari 2025,
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De vordering

[Eiser] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van Cg 101.822,74, vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente vanaf de betaaldata respectievelijk ingebrekestelling, met veroordeling van [gedaagde] in de beslag- en proceskosten.

3.De beoordeling

De eerdere procedure
3.1.
Deze zaak is een vervolg op de zaak tussen dezelfde partijen die heeft geleid tot het vonnis van dit gerecht van 4 november 2024 (CUR202303585). Bij dat vonnis is de vordering van [eiser] tot veroordeling van zijn zus [gedaagde] tot levering van het door hem in 2016 van haar gekochte perceel te Fontein afgewezen, na een geslaagd beroep van [gedaagde] op de vernietigbaarheid van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst omdat niet voldaan was aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 BW Pro. Wel werd [gedaagde] bij dat vonnis veroordeeld om aan [eiser] Cg 7.000 aan schadevergoeding te betalen omdat zij de koopovereenkomst op onrechtmatige wijze had afgebroken.
3.2.
In de onderhavige zaak vordert [eiser] de in 2016 aan [gedaagde] betaalde koopprijs van (tegenwaarde van) € 50.000 terug. Deze vordering had welbeschouwd ook als subsidiaire vordering in de eerste procedure kunnen worden ingesteld. Het gerecht ziet geen aanleiding om in deze tweede procedure een andere benadering en waardering van de feiten te hanteren dan in de eerste procedure. Dit brengt mee dat ook in deze zaak [eiser] en [gedaagde] als de partijen worden aangemerkt die over de koop van het perceel in gesprek zijn geweest en daarover overeenstemming hebben bereikt.
Onverschuldigde betaling en verjaring
3.3.
De koop is door de vernietiging door [gedaagde] niet doorgegaan. Er is geen reden waarom zij de door haar ontvangen koopprijs niet zou hoeven te terug te betalen. Deze koopprijs is, door de vernietiging van de koopovereenkomst, onverschuldigd aan haar betaald.
3.4.
Het beroep van [gedaagde] op verjaring slaagt niet. Artikel 3:309 BW Pro bepaalt dat een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. De vernietiging vond pas plaats in het jaar 2023 en op dat moment ontstond de vordering uit onverschuldigde betaling. Verjaring is niet aan de orde.
3.5. [
Gedaagde] moet het door haar ontvangen bedrag dus terugbetalen.
Betalingen door derden
3.6.
Het verweer van [gedaagde] dat de koopsom niet is betaald door [eiser] zelf maar door twee rechtspersonen, kan niet tot afwijzing van de vordering van [eiser] leiden. Zoals [eiser] in zijn conclusie van repliek op goede grond heeft gesteld, kan een verbintenis ook door een ander dan door de schuldenaar worden nagekomen. De betalingsverplichting van [eiser] kon dus ook worden nagekomen door de Torcida N.V. en de SPF The Good Hope. Nergens blijkt ook uit dat [gedaagde] er ooit bezwaar tegen had dat die betalingen (reeds in 2016) door die entiteiten werden gedaan.
Onzekerheidsexceptie
3.7.
Hoewel dit verweer in de eerste procedure, afgaand op het daarin gewezen vonnis, niet is gevoerd, kan de door [gedaagde] ingeroepen onzekerheidsexceptie (artikel 6:263 BW Pro) niet zonder meer worden gepasseerd. De betalingen van de koopprijs zijn gedaan door een naamloze vennootschap en door een stichting particulier fonds, en niet door [eiser] zelf. Dit laat ruimte voor de mogelijkheid dat die rechtspersonen bij [gedaagde] aankloppen voor terugbetaling en zich op het standpunt stellen dat betaling aan [eiser] [gedaagde] niet heeft bevrijd van haar verplichtingen. Aan deze onzekerheid zal worden tegemoetgekomen door toewijzing van de vordering op de wijze als in de beslissing van dit vonnis omschreven. Daarmee wordt bereikt dat [gedaagde] niet hoeft te vrezen dat zij tweemaal tot terugbetaling wordt aangesproken.
Rente en kosten
3.8. [
Gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, de beslagkosten daaronder begrepen. Zij zal ook de buitengerechtelijke kosten moeten betalen, berekend conform het Procesreglement Civiele Zaken. De wettelijke rente zal, bij gebreke van een voldoende duidelijk bepleite, in aanmerking komende andere ingangsdatum, worden toegewezen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van Cg 101.822.74 ter zake onverschuldigde betaling en Cg 3.000 ter zake buitengerechtelijke kosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van voldoening, door overboeking op een of meer door [eiser] aan [gedaagde] op te geven bankrekeningen, en wel binnen veertien dagen na die opgave door [eiser], welke opgave vergezeld dient te zijn van bewijs (al dan niet door een bevestiging door een advocaat) dat Torcida N.V. en SPF The Good Hope instemmen met [eiser]s betalingsinstructie;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] begroot op Cg 1.389,98 en 344,06 aan beslagkosten, Cg 379.96 aan oproepingskosten, Cg 750 aan griffierecht en Cg 6.000 voor gemachtigdensalaris (drie punten, tarief 7);
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort rechter, en in het openbaar uitgesproken.