Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAC:2026:18

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
CUR202502717
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 557 RvArt. 444 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning door weduwe ter uitvoering van nalatenschapsverdeling

De eisers, kinderen van de in 2017 overleden erflater, vorderen dat de weduwe van de erflater de woning aan een adres in Curaçao ontruimt. De nalatenschap en de ontbonden huwelijksgoederengemeenschappen zijn bij onherroepelijk vonnis in 2022 verdeeld, waarbij het erfpachtrecht op het perceel aan de zonen is toegekend. Gedaagde is toen niet tot ontruiming veroordeeld, maar moest medewerking verlenen aan de overdracht van het erfpachtrecht.

Ondanks het verstrijken van ruim drieënhalf jaar verblijft gedaagde nog steeds in de woning en is de overdracht niet geregeld. Tevens is de door het Hof opgelegde gebruiksvergoeding niet betaald. Eisers stellen belang te hebben bij ontruiming omdat gedaagde geen aanstalten maakt de woning te verlaten.

Gedaagde voert aan dat zij haar echtgenoot lang heeft verzorgd, weinig inkomsten heeft, geen andere woonruimte bezit en de strekking van het Hofvonnis niet begrepen heeft. Zij verzoekt om respijt. De rechtbank oordeelt dat het verweer niet aan uitvoering van de nalatenschapsverdeling in de weg staat en veroordeelt gedaagde tot ontruiming uiterlijk 30 april 2026.

Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De deurwaarder krijgt toestemming om de sterke arm in te roepen bij gedwongen ontruiming.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning uiterlijk 30 april 2026 en betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202502717
Vonnis van 9 februari 2026
in de zaak van

1.[EISER 1],wonend in Curaçao,2. [EISER 2],wonend in Nederland,3. [EISER 3],wonend in Nederland,eisers,gemachtigde: deurwaarder R.A. Ramazan,

tegen
[GEDAAGDE],
wonende in Curaçao,
gedaagde,
aanvankelijk met als gemachtigde mr. M.T.J. Cicilia, nu procederend in persoon.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 21 juli 2025,
  • de conclusie van antwoord,
  • de mondelinge behandeling van 27 januari 2026.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De vordering

Eisers vorderen, samengevat, gedaagde te veroordelen tot ontruiming van de woning [adres].

3.De beoordeling

3.1.
Gedaagde is de weduwe van de op [datum] 2017 overleden [naam erflater]. Eisers zijn diens kinderen uit een eerder huwelijk. Bij onherroepelijk geworden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 16 augustus 2022 is de nalatenschap van [naam erflater] verdeeld, evenals de twee ontbonden huwelijksgoederengemeenschappen. Bij dat vonnis is onder meer beslist dat het erfpachtrecht op het perceel [adres] met opstallen aan de zonen – eisers in deze procedure – wordt toegedeeld. Gedaagde is daarbij veroordeeld om binnen vier maanden na de uitspraak van dat vonnis haar medewerking te verlenen aan de overdracht van het erfpachtrecht, met bepaling dat het vonnis bij uitblijven van gedaagdes medewerking in de plaats treedt van de door haar op te maken akte. Bij dat vonnis is gedaagde niet tot ontruiming veroordeeld. Wel overweegt het Hof dat zijn beslissing “
impliceert dat [gedaagde] het perceel en de opstallen binnen de voornoemde termijn op eerste verzoek van de zonen dient te verlaten.” Inmiddels zijn sinds die uitspraak drie-en-een-half jaar verstreken. Gedaagde verblijft nog in de woning en de overdracht van het erfpachtrecht is nog niet geregeld. De door het Hof bepaalde, door gedaagde aan eisers en hun moeder te betalen gebruiksvergoeding van NAf 504,17 per maand is niet voldaan.
3.2.
Eisers stellen er belang bij te hebben dat gedaagde tot ontruiming wordt bevolen, omdat zij tot dusver geen aanstalten maakt de woning te verlaten, niettegenstaande de uitspraak van het Hof. Eisers stellen voorts dat zij verwachten de overdracht van het erfpachtrecht op korte termijn te kunnen afronden.
3.3.
Gedaagde heeft erop gewezen dat zij lang met haar wijlen echtgenoot heeft geleefd en hem lang heeft verzorgd. Zij stelt voorts dat zij nauwelijks inkomsten heeft, niet beschikt over andere woonruimte en dat zij de strekking van het Hofvonnis nooit heeft begrepen. Haar volwassen dochter woont inmiddels niet meer bij haar. Gedaagde heeft ter zitting gevraagd haar nog een aantal maanden respijt te geven.
3.4.
Het verweer van gedaagde kan er niet aan in de weg staan dat uitvoering wordt gegeven aan de door het Hof vastgestelde verdeling. Daarbij hoort dat gedaagde de woning ontruimt. Zij zal daartoe bij dit vonnis worden veroordeeld. Een termijn zoals hierna in de beslissing omschreven komt het gerecht onder de huidige omstandigheden passend voor.
3.5.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
veroordeelt gedaagde de woning [adres] uiterlijk op 30 april 2026 met alle personen en zaken die zich van de kant van gedaagde in en om de woning bevinden te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eisers te stellen,
4.2.
verstaat dat de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent alvast toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo Pro. 444 lid 2 Rv,
4.3.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten, tot op heden begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 339,50 aan oproepingskosten en Cg 1.000 voor salaris gemachtigde,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.