ECLI:NL:OGEAC:2026:4

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
555.00086/25
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen poging tot moord met schietincident in Curaçao

Op 12 januari 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die wordt beschuldigd van medeplegen poging tot moord. De zaak betreft een schietincident dat plaatsvond op 5 april 2025, waarbij het slachtoffer, [benadeeldepartij], door de verdachte is neergeschoten. De herkenning van de verdachte door het slachtoffer en andere getuigen wordt als betrouwbaar beschouwd, ondanks dat de schutter een masker droeg. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld, gezien de voorafgaande verkenning en de doelgerichte uitvoering van het schietincident. De verdachte heeft een gevangenisstraf van 14 jaar opgelegd gekregen. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partij tot een maximum van Cg 50.000,00, wegens de materiële en immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden door de schotwonden, die hebben geleid tot een dwarslaesie en blijvende gevolgen. De uitspraak is gedaan in tegenwoordigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Parketnummers: 555.00086/25

Uitspraak: 12 januari 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 in de [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2025, 19 september 2025, 1 oktober 2025, 5 december 2025 en 12 januari 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.E. Martis, advocaat in Curaçao. Op 1 oktober 2025 is de verdachte, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
De benadeelde partij [benadeeldepartij], bijgestaan door mevrouw E.Z. Snijders van de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg, heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie mr. F.E. van der Zee heeft ter terechtzitting gevorderd, dat het Gerecht het onder feit 1 impliciet primair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het maximale bedrag van Cg 50.000 en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding heeft de raadsman verweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1:

dat hij op of omstreeks 5 april 2025, althans in of omstreeks de maand april 2025 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [benadeeldepartij] van het leven te beroven, met dat opzet en – al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, een of meerdere schoten in de richting van die [benadeeldepartij] heeft afgelost, waardoor die [benadeeldepartij] in zijn nek en/of schouder en/of thorax, althans het lichaam werd geraakt, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

dat hij op of omstreeks 5 april 2025 althans in of omstreeks de maand april 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, en/of een voor bedreiging en/of afdreiging geschikt voorwerp, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 5 april 2025 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeeldepartij] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meerdere schoten in de richting van die [benadeeldepartij] heeft afgelost, waardoor die [benadeeldepartij] in zijn nek en thorax, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2:

hij op 5 april 2025 te Curaçao, een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. [1]
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek naar aanleiding van schietincident te [adres] ter hoogte van [bedrijf] d.d. 28 april 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]), voor zover inhoudende, zakelijk weer gegeven:
“Op 5 april 2025 omstreeks 20:00 uur heeft zich aan de [adres] te Curaçao, ter hoogte van [bedrijf], een schietincident voorgedaan. Daarbij is het slachtoffer [benadeeldepartij] geraakt door een schot in zijn bovenlichaam. Het slachtoffer is vervolgens overgebracht naar het Curaçao Medical Center. (…) Op de plaats delict werden drie (3) hulzen, een kogel en kogelfragmenten van het kaliber 9x19 mm aangetroffen (…).”
2.
Een schriftelijk bescheid, te weten een medische verklaring van de afdeling Neurochirurgie van het Curaçao Medical Center d.d. 16 mei 2025, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Een 38-jarige man werd opgenomen op de intensive care na een schotwond in de nek en linker thorax. Hij was paraplegisch met sensibiliteitsstoornissen ter hoogte van T6 en motorische uitval vanaf C6/C7 en lager. Er was sprake van een facet- en corpusfractuur en een laminafractuur van C7, alsmede intraspinale lucht en epidurale verdoving. Daarnaast was sprake van ringvormig letsel met splinterig van het kraakbeen posterolateraal en een scheuring van circa 2 mm van de luchtpijp (…).
3.
Een aanvullend proces-verbaal van bevinding uitwerking videobeelden [bedrijf] d.d. 24 mei 2025, opgenomen op pagina 117 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4]), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Op 5 april 2025, te Curaçao, is op het tijdstip 19:38:06 te zien dat het slachtoffer in de ingangsdeur van de “[bedrijf]” staat. In de verte komt een silhouet in het donker rennen richting de “[bedrijf]”, hierna aangeduid als subject (…). Subject komt dichterbij en heeft een masker voor zijn gezicht; hij is slank van postuur (…). Subject strekt zijn rechterarm uit in de richting van het slachtoffer (…). Naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid houdt subject een vuurwapen in zijn rechterhand. (…). Het slachtoffer begint naar beneden te zakken terwijl subject zijn arm blijft richten; naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft subject reeds geschoten en schiet vermoedelijk opnieuw (…). Vervolgens valt het slachtoffer op de grond en subject houdt zijn arm gestrekt in zijn richting (…). Buiten bij de ingangsdeur van de [bedrijf] staat subject met een vuurwapen in zijn rechterhand, gericht op het slachtoffer binnen (…). Een gezoomde screenshot bevestigt dat het voorwerp in de hand van subject naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een vuurwapen betreft (…). Op het tijdstip 19:38:10 is te zien dat het slachtoffer op zijn rug is gedraaid en ligt op zijn rug.”Top of FormBottom of Form
4.
Een proces-verbaal van bevinding uitwerking videobeelden d.d. 11 april 2025, opgenomen op pagina 86 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4]), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Afbeelding 1A is op het tijdstip 19.18:19 te zien dat een witgelakte [automerk/model] op de Gosieweg aankwam rijden (…) richting Brievengat. Op afbeelding 2A is te zien dat de [automerk/model] linksaf sloeg en het parkeerterrein van Botica Novo opreed (…). Op afbeelding 3C en 3D is te zien dat de [automerk/model] terugrijdt richting de Gosieweg voorbij Gosie [bedrijf] (…) richting Brievengat. Op afbeelding 4A–4C is te zien dat de [automerk/model] opnieuw op het parkeerterrein van Botica Novo rijdt (…) en parkeert. Op afbeelding 5A-1 is te zien dat de achterzijde nummerplaat van voornoemde [automerk/model] [kentekennummer] is. Op afbeelding 5B is te zien dat de [automerk/model] achteroprijdt nadat het ongeveer 10 minuten daar bleef geparkeerd (…). Op afbeelding 5L is de [automerk/model] te zien op de [adres]. (…) Op afbeelding 5M is op het tijdstip 19.38:24 te zien dat de rechterzijde portier openging. (…) Op afbeelding 5N is op het tijdstip 19.38:25 te zien dat in de verte silhouet van een persoon naast de rechterzijde van bedoelde auto te zien is. Vermoedelijk is dit het moment dat de dader uit de auto stapte. (…) Op afbeelding 5O en 5P is op het tijdstip 19.38:33 te zien dat een manspersoon bij de ingang van de [bedrijf] staat. Op het gezoomde screenshot is te zien dat het silhouet bij de ingang zich bevond en dat een persoon in een geel shirt, namelijk het slachtoffer, beweegt. Op afbeelding 5Q is te zien dat de remverlichting aanging en tevens is te zien dat er een silhouet bij de rechterzijde van bedoelde [automerk/model] staat. Dit is naar alle waarschijnlijkheid na het schietincident waar het subject terugrent naar de [automerk/model] die op hem staat te wachten. Op afbeelding 5R is op het tijdstip 19.38:50 te zien dat de vluchtauto, [automerk/model], wegrijdt.”
5.
Een proces-verbaal van aangifte door [benadeeldepartij] d.d. 20 mei 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven-:
“Ik liep naar de ingangsdeur van de zaak en terwijl ik daar stond, zag ik een manspersoon naar de zaak rennen. Op een afstand van ongeveer twee auto’s tussen hem en mij zag ik dat bedoeld persoon een witkleurig stoffen masker over zijn gezicht trok. Het lukte mij te zien dat, voordat hij zijn gezicht met het masker bedekte, dat het om iemand ging met een lichte huidskleur.
Alhoewel de schutter zijn gezicht met een wit stoffen masker bedekt had, kon ik hem herkennen als de man bijgenaamd [verdachte] van [wijk]. Ik herkende hem gelijk aan zijn lichaamsbouw en lichaamshouding en bewegingen. Ik moet verklaren dat ik [verdachte] heel goed ken en heel veel gezien heb, dus ik herken hem gelijk, sterker nog, [verdachte] heeft een opvallend zeer slank postuur en de persoon die ik op die videobeelden had gezien en die op mij aan het schieten was, kwam zeker overeen met [verdachte] uit [wijk].”
6.
Een proces-verbaal van fotoconfrontatie van de aangever [benadeeldepartij] met de verdachte [verdachte] d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 289 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 7]), voor zover inhoudende:
“Op de foto genummerd met het cijfer 8 is de afbeelding opgenomen van de verdachte: [verdachte] bijgenaamd ([verdachte]), geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983 en wonende aan de [adres].
Wij, verbalisanten, vroegen aan de aangever [benadeeldepartij], of hij de verdachte/schutter zou kunnen herkennen en zo ja, aan zou kunnen wijzen op de fotosheet. (…) Zonder te aarzelen wees de aangever [benadeeldepartij], ons verbalisanten de verdachte onder foto nummer 8 en verklaarde het volgende:
“Ik herken de man onder fotonummer 8 als de voor mij bekende man bijgenaamd “[verdachte]” en die woonachtig is in [wijk]. Hij is dezelfde man bijgenaamd “[verdachte]” die bij de “[bedrijf] ” gelegen te Gosieweg op mij zonder enige reden of aanleiding daartoe had geschoten en het is dezelfde “[verdachte]” over wie ik in mijn afgelegde verklaring sprak. Ik herken hem aan zijn gezicht op die foto, omdat ik (…) “[verdachte]” heel goed ken omdat ik hem heel veel had gezien.”
7.
Een proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van getuige [benadeeldepartij] d.d. 12 november 2025 (los proces-verbaal), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Ik herken de persoon die het schietincident heeft gepleegd als [verdachte], de zoon van de eigenaar van de bar. Dat is de bar in [wijk] waar ik vaak naar toe ging. Het klopt, dat bar een mooi woord voor bordeel is. Ik ging naar dezelfde dame. Zij heet [persoon 1].
[verdachte] is blank, lang en heel slank, met een opvallende lichaamsbouw en een manier van lopen die direct herkenbaar is. Zijn huidskleur is lichter dan die van mij en hij is veel magerder. Zijn silhouet, lengte, slanke postuur en manier van bewegen kwamen mij bekend voor, omdat ik hem vaak in de bar en daarbuiten heb gezien.
In een periode van 6 maanden ben ik daar vaak geweest. Ongeveer 3 a 4 keer per week gedurende een periode van 6 maanden. De laatste 6 maanden ben ik daar vaak geweest.
Op het moment van het schietincident stond ik buiten bij het bedrijf. Ik zag de schutter aankomen; hij was zijn masker aan het goed zetten. Hij liep gebukt langs de auto’s, kwam aanrennen en trok een pistool. Zijn rechterarm was gestrekt in mijn richting. Ik herken hem niet alleen aan zijn postuur en lichte huidskleur, maar ook aan zijn loopje. Het gebukt lopen, het aanrennen en daarna weer rechtop lopen voordat hij het pistool trok, kwam overeen met hoe ik hem eerder had zien lopen in de bar. Zijn silhouet, lichaamsbouw en manier van bewegen bevestigen dat hij degene was die op mij schoot.”
8.
Een proces-verbaal verhoor bedreigde getuige L5 bij de rechter-commissaris, opgenomen op pagina 292 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Op de video van het incident herkende ik dat het de broer was, het gaat om de broer van de man van [persoon 1]. Zij zijn een tweeling. (…) Ik kon het zien (…) aan zijn slanke postuur. Ik heb de beelden ongeveer twee tot drie keer gezien. Ik zag het gelijk. Het is geen aanname, zo is het gebeurd. Ik heb het niet mis. Hij is niet te verwarren met iemand anders. Ik weet zeker dat ik hem herkend heb. Wat hem voor mij herkenbaar maakte, was zijn zeer slanke bouw, de manier waarop hij bewoog (…).”
9.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 april 2025, opgenomen op pagina 39 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisant [verbalisant 8]), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“Vraag: is het slachtoffer genaamd [benadeeldepartij] bijgenaamd “[benadeeldepartij]” (het Gerecht begrijpt: [benadeeldepartij]) bekend voor jou?
Antwoord: Ja, ik ken die persoon als een klant van mij. Ik prostitueer in de wijk [wijk].
Vraag: had je een liefdesrelatie met hem?
Antwoord: Nee. Ik heb mijn vriend [persoon 2]. Hij zit vast in verband met een schietincident. Ik heb gehoord dat de broer van mijn vriend, bijgenaamd [verdachte], als verdachte is aangehouden.”
10.
Een proces-verbaal van bevinding gesprek met “[persoon 3]” d.d. 28 april 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier (opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 4]), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
“[persoon 3] heeft de videobeelden van het incident bekeken. Na het bekijken van de beelden herkende [persoon 3] een persoon aan diens postuur en gedragingen, waarbij hij onmiddellijk dacht aan een zekere [verdachte] van [wijk]. (…) In de periode na het bekijken van de beelden heeft [persoon 3] navraag gedaan naar hetgeen hierover op straat werd verteld. Hieruit begreep hij dat [verdachte] het slachtoffer had neergeschoten in opdracht van diens broer [persoon 2].[persoon 2], die opgesloten is, zou een relatie onderhouden met [persoon 1], die het slachtoffer regelmatig bezocht. [persoon 3] verklaarde verder dat [persoon 2] uit jaloezie opdracht zou hebben gegeven aan zijn broer [verdachte] om het slachtoffer van het leven te beroven.
11.
Een proces-verbaal van bevinding uitlezing mobiele telefoon verdachte [verdachte] d.d. 14 september 2025, opgenomen op pagina 187 e.v. van het dossier, voor zover inhoudende:
“Op donderdag 24 april 2025 werd de verdachte [verdachte] aangehouden. Tijdens de aanhouding werd er een witkleurige mobiele telefoon van het merk IPhone voorzien van een groene hoes en met IMEl-nummer [nummer] voor verder onderzoek in beslag genomen. (…)
Als “device user” zag ik staan: “Boom”. Als user type zag ik staan: Owner. In de applicatie WhatsApp zag ik het telefoonnummer [telefoonnummer] eveneens gekoppeld staan als “owner”.
Onder het kopje “user accounts” zag ik de volgende namen staan:
-
Email-[email](…)
[persoon 4]
Whatsappgesprek tussen [telefoonnummer](owner) en [telefoonnummer]([persoon 4]). Ik zag dat het Whatsapp gesprek gaat over het kopen van een vuurwapen. Ik zag dat het Whatsapp gesprek met [persoon 4] begint op 15 maart 2025. Het gesprek verliep als volgt:
[persoon 4] 3/15/2025 3:09:01 PM stembericht: Lagami sa ki ora bo ta wak mi tin e sen pe hombu nan wak e lachi (Laat me weten wanneer je me zal ophalen. Ik heb het geld zodat die mannen een lade kunnen bekijken).
Opmerking verbalisant: “ Lachi” is versluierd taalgebruik voor patroonhouder.
[verdachte] 3/18/2025 5:11:17 PM stembericht: Tende no, lastei ba bisami ta tin un B??? na 2 mil. E koi tei? (Luister dan, laatst had je tegen mij gezegd dat er een “ B” was voor tweeduizend. Is die ding er?)
[persoon 4] 3/18/2025 5:28:14 PM stembericht: ko nai a bai kaba, mi ruman. Un pari hombu nai tin ta piddi 2800 (Die dingen zijn al weg, mijn broer. Er zijn een paar mannen die 2800 vragen).
[verdachte] 3/18/2025 5:30:52 PM stembericht: okay okay, manda un pic pa mi, pa mi wak un brother a puntra mi un koi, mi ta manda pic pe of un kos sibo tine noh (oke oke, stuur mij een foto, om te kijken. Een broer heeft mij iets gevraagd. Ik zal foto voor hem sturen of iets als je het hebt).
Opmerking verbalisant: Tijdens een lopend onderzoek bij het Bureau Roofovervallen Bestrijding staat vermelde man onder de naam [persoon 4] bekend als wapenhandelaar. Tijdens het gesprek de dato 18 maart 2025 om 05.11 uur PM kan “ B” versluierd taalgebruik zijn voor een vuurwapen van het merk “ Baretta”.
Vervolgens stuurde [persoon 4] foto’s van vuurwapens naar [verdachte].
(…)
d.d. 05 april 2025
[telefoonnummer] 07:06:10 pm uur: [verdachte] wey ([verdachte] man)
[telefoonnummer] 07:06:10 pm uur: Qlq (Hoe gaat het)
[telefoonnummer] 07:11:48 pm uur: Yo necesito hablar de como resolvamos el pago, (…) me excusa yo quiero quise hable como se va hacer eso e lo de la merca y el hierro. (…) porfa digame qlq va pasar que estoy necesitando el efe. (Ik moet praten over hoe we de betaling gaan regelen, (…). vergeef me, maar ik wil dat we praten over hoe we dit gaan aanpakken, zowel wat betreft de spullen als het ijzer. (…) Alsjeblieft, vertel me wat er gaat gebeuren, want ik heb dringend geld nodig.)
d.d. 07 april 2025
[telefoonnummer] 07:33:40 pm uur stem bericht: (…) quiero que mes habla a mí de quien tiene que pagarme el arma usted of [persoon 2]? (…) ik wil dat je me duidelijk vertelt wie mij moet betalen voor het wapen, jij of [presoon 2]? (…).
Bewijsoverwegingen

Feiten

Op 5 april 2025 om 19.38 uur heeft een schietpartij plaatsgevonden bij de bandenwinkel [bedrijf] in Curaçao. Het slachtoffer, [benadeeldepartij], geboren op [geboortedatum] 1987, stond in de deuropening van de [bedrijf] toen de schutter, een gemaskerde persoon, op hem afrende met een vuurwapen in zijn hand. De schutter schoot van zeer korte afstand gericht tweemaal in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer liep achteruit, zakte in elkaar en viel op de grond, waarna nog een schot in zijn richting werd gelost. Na het neerschieten vluchtte de schutter en stapte in een witte [automerk/model] met kenteken [kentekennummer], waarna de [automerk] wegreed. Gedurende het stilstaan brandden de remlichten, wat erop duidt dat een bestuurder in de auto aanwezig was.
Het slachtoffer liep bij dat schietincident schotwonden op in de nek en linkerborst. Door deze verwondingen heeft de heer [benadeeldepartij] een dwarslaesie opgelopen en blijvende gevoels- en bewegingsstoornissen.
Ten aanzien van de tijdstippen genoemd in de bewijsmiddelen onder 3. en 4. merkt het Gerecht op dat deze onderling niet met elkaar kloppen, ondanks dat is geverbaliseerd dat de tijdstippen op de beelden overeenstemmen met de daadwerkelijke tijd. In beide processen-verbaal wordt vermeld als tijdstip 19.38 uur, maar het aantal seconden achter 19.38 komt niet overeen. Gelet op het zeer geringe tijdsverschil, de duidelijke beschrijving van hetgeen is voorgevallen en de overeenkomsten op de beelden, is duidelijk dat het om een en dezelfde gebeurtenis gaat.
Identiteit schutter
Verdachte [verdachte] wordt ervan verdacht de schutter te zijn geweest. De verdachte ontkent dat. Het slachtoffer, de heer [benadeeldepartij], heeft de verdachte herkend als de schutter.
De verdediging heeft betoogd dat de herkenning door het slachtoffer onbetrouwbaar is.
Het Gerecht overweegt hierover als volgt. Door het slachtoffer is verklaard en op de beelden, die onderdeel uitmaken van het dossier, is te zien dat de schutter een masker droeg. Zijn gezicht is daardoor niet te zien. Het Gerecht acht desondanks een herkenning van de schutter wel degelijk mogelijk. Daarbij is van belang dat niet alleen het slachtoffer verdachte heeft herkend, maar dat ook nog eens twee andere personen verdachte hebben herkend op de beelden als de schutter. Van belang daarbij is bovendien dat alle drie getuigen over dezelfde kenmerken verklaren waaraan zij de schutter herkennen. Het gaat dan om een opvallend lang en dun postuur, een lichte huidskleur en een opvallend loopje. Het slachtoffer heeft consistent en consequent verdachte [verdachte] aangewezen als de persoon die op hem heeft geschoten. Het slachtoffer heeft verklaard verdachte zeer regelmatig, gedurende de laatste zes maanden drie a vier keer per week, te hebben gezien.
Gelet op het voorgaande acht het Gerecht de herkenning door het slachtoffer betrouwbaar en zal zij de herkenning als bewijs gebruiken.
Het verweer van de verdediging dat de identificatie onvoldoende betrouwbaar zou zijn, wordt verworpen.
Gebruik verklaringen bedreigde getuige L5
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen het gebruik van de verklaring van L5 en betoogd dat deze onvoldoende betrouwbaar zou zijn. Zo zou L5 de verdachte aanvankelijk slechts hebben herkend aan zijn slanke postuur, terwijl hij het horloge van de verdachte pas later als kenmerk toevoegde. Volgens de verdediging zouden deze kenmerken slecht zichtbaar zijn op de videobeelden en is het verband met de door L5 genoemde dreigementen onvoldoende vastgesteld, waardoor de verklaring niet als bewijs zou kunnen dienen.
Het Gerecht verwerpt dit verweer. De verklaring van L5 is afgenomen door de rechter-commissaris, met volledige bescherming van de identiteit van de getuige, zoals voorgeschreven in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het verhoor heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden, waarbij de getuige in alle opzichten beschermd was, en dit waarborgt de betrouwbaarheid van zijn verklaring.
L5 heeft de schutter herkend aan zijn slanke postuur en horloge. De uiterlijke kenmerken vormen een consistent beeld dat aansluit bij de andere aanwijzingen omtrent de schutter. Dat het horloge pas later expliciet werd genoemd, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de primaire waarneming van L5. Bij de huiszoeking is niet het horloge aangetroffen zoals door L5 genoemd, maar een ander horloge; dit doet geen afbreuk aan de bruikbaarheid van de verklaring, omdat de primaire waarneming van het (zeer) slanke postuur en de lichaamsbouw voldoende onderscheidend is.
Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging verworpen en wordt de verklaring van L5 meegenomen als ondersteunend bewijs voor de identificatie van de schutter.
Alibi en telecom onderzoek
De verdachte heeft ter terechtzitting en in eerdere verhoren aangevoerd dat hij op het moment van het schietincident in zijn woning te [wijk] verbleef. Hij is enkel weggeweest om een pizza te halen bij de Pizza Hut in Saliña. Ter ondersteuning daarvan beroept hij zich op voiceberichten tussen hem en zijn broer [persoon 2] in de avond van 5 april 2025.
Het Gerecht stelt vast dat deze voiceberichten zijn ingebracht door mevrouw [persoon 5], de ex-vriendin van verdachte. Tijdens haar verhoor op 14 mei 2025 als getuige (p. 53 e.v. van het dossier) heeft zij verklaard over gesprekken tussen de verdachte en zijn broer [persoon 2]. Zij verklaart dat [persoon 2] deze voiceberichten naar haar telefoonnummer heeft geappt op 30 april 2025. Zij verklaart daarover dat [persoon 2] deze berichten heeft gestuurd om de onschuld van zijn broer te kunnen aantonen en zij in contact is met de advocaat van [verdachte]. Op pagina 59 e.v. van het dossier beschrijft de politie de voiceberichten, die zijn aangetroffen op de telefoon van mevrouw [persoon 5]. In het betreffende proces-verbaal van 14 mei 2025 is het volgende opgenomen:
“op 5 april 2025 groet [persoon 2] zijn broer om 06.38 uur PM. [verdachte] reageert om 07.17 uur PM met een stembericht waarin hij [persoon 2] groet en zegt dat hij aan het slapen was en vraagt hoe het met hem gaat. Om 07.21 uur PM reageert [persoon 2] en zegt dat het rustig is. Om 10.21 uur PM zegt [verdachte] dat zijn moeder hem verzocht om een pizza te halen en dat hij net thuiskwam.”
De vorenbedoelde voiceberichten zijn enkel aangetroffen in de telefoon van mevrouw [persoon 5], en zijn niet uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte naar voren gekomen. Daardoor heeft ook geen onderzoek kunnen plaatsvinden naar de locatie waar verdachte zich ten tijde van deze voiceberichten bevond. Het Gerecht stelt tevens vast dat de voiceberichten tussen de verdachte en zijn broer [persoon 2] zijn uitgewisseld respectievelijk voor en na het tijdstip waarop de heer [benadeeldepartij] is neergeschoten. Deze voiceberichten zijn derhalve niet ontlastend.
Verdachte heeft nog aangevoerd dat hij uit het feit dat hij naar de Pizza Hut is geweest, kan worden afgeleid dat hij niet op de plaats delict kan zijn geweest. Hij zou om 19.38 uur bij de Pizza Hut zijn geweest.
Daarover overweegt het Gerecht dat het telefoonnummer dat bij verdachte in gebruik was (eindigend op *[nummer]) op 5 april 2025 om 20.05 uur en om 20.08 uur uitbelt naar de Pizza Hut in Saliña. Dit telefoonnummer straalt een zendmast in de omgeving van Pizza Hut aan om 20.21 uur, 20.23 uur, 20.27 uur en 20.42 uur. Pas om 22.31 uur is het nummer eindigend op *[nummer]weer binnen het bereik van mast Parka Leyba (woonomgeving verdachte,[wijk]). De politie verbaliseert dat door het geringe datagebruik door de verdachte, de route die hij nam van en naar de Pizza Hut niet vastgelegd kan worden.
Het Gerecht stelt vast dat deze telefoongegevens niet uitsluiten dat de verdachte op het tijdstip van het schietincident op de plaats delict was. Uit onderzoek naar de telefoon en het telefoonnummer van de verdachte komt overigens naar voren dat verdachte aan de hand van zijn telefoongegevens noch op de plaats delict kan worden geplaatst, noch thuis. Het is derhalve noch belastend noch ontlastend. In ieder geval levert het geen alibi voor de verdachte op, zoals hij zelf heeft aangevoerd.
Ter ondersteuning van zijn alibi wijst de verdediging ook op verklaringen van zijn ex-vriendin, [persoon 5], die verklaarde dat zij haar kind die dag naar de moeder van de verdachte had gebracht.
Het Gerecht stelt hieromtrent vast dat noch de verklaring van mevrouw [persoon 5] noch haar telefoongegevens een alibi verschaffen voor verdachte. Zo heeft zij niet verklaard dat zij verdachte bij hem thuis heeft gezien rondom het tijdstip van 19.38 uur.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van poging tot moord, zoals onder feit 1 impliciet primair is ten laste is gelegd, is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten.
Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt.
Op beelden van beveiligingscamera’s in de directe omgeving van [bedrijf] is te zien dat een witte [automerk/model] met kenteken [kentekennummer] al zo’n twintig minuten voorafgaand aan het schietincident heen en weer reed en ook even stilstond in de nabije omgeving van de bandenwinkel. Het Gerecht beschouwt dit als een voorverkenning.
Uit de beelden en de latere herkenning volgt eveneens dat verdachte aan de bijrijderskant uit deze [automerk/model] is gestapt, naar [bedrijf] is gerend en de heer [benadeeldepartij] direct en zonder enige aarzeling heeft neergeschoten. Verdachte heeft derhalve met een vuurwapen in de auto gezeten en is gericht en doelbewust naar de bandenwinkel gereden waar het slachtoffer werkzaam was. De wijze waarop verdachte het slachtoffer heeft benaderd en hem tot driemaal toe van zeer dichtbij heeft neergeschoten wijzen op een doelbewust en gepland handelen. Uit de omstandigheid dat verdachte op zeer korte afstand, zelfs toen hij al op de grond lag, en op vitale delen van het lichaam van het slachtoffer schoot kan worden afgeleid het de bedoeling was dat het slachtoffer hierbij het leven zou laten. Na het schieten stapt de verdachte weer aan de bijrijderskant in de [automerk] waarop de [automerk] wegrijdt.
In de telefoon van de verdachte zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen waaruit blijkt dat hij al sinds medio maart 2025 contact had met een persoon over de aanschaf van een vuurwapen. Daarnaast zijn meerdere foto’s van vuurwapens op zijn telefoon gevonden. Op 5 april 2025, de dag van het schietincident, wordt de verdachte via WhatsApp benaderd over de betaling van “het ijzer”. Ook na het incident, op 7 april 2025, wordt in een gesprek expliciet gevraagd wie het wapen moet betalen, hij de verdachte of “[persoon 2]”. Dit alles wijst erop dat reeds vóór het schietincident gesprekken over de aanschaf van een vuurwapen hebben plaatsgevonden en dat op de dag van en na het incident wordt gesproken over betaling, wat duidt op een vooraf beraamd plan. De verklaring van de verdachte dat hij het wapen slechts voor iemand anders zou hebben gezocht, acht het Gerecht niet aannemelijk.
Gezien de voorafgaande observatie, de doelgerichte benadering van het slachtoffer en de systematische uitvoering van het schietincident, acht het Gerecht aannemelijk dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden en het besluit tot het schieten bewust heeft genomen. Hiermee is voldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van voorbedachte raad.
Medeplegen
Nu er op de camerabeelden is te zien dat de remlichten van de [automerk] al brandden voordat verdachte instapte, en verdachte aan de rechterkant is uit- en ingestapt, kan worden geconcludeerd dat er nog iemand in de auto zat. Dit moet de chauffeur zijn geweest. Deze persoon is ook bij de voorverkenning geweest en heeft op verdachte gewacht. Samen zijn zij weggereden na het schieten. Dat maakt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen.
Conclusie
Gelet op de consistente verklaringen van het slachtoffer en de fotoconfrontatie, de verklaring van de bedreigde getuige L5, de videobeelden, en het telecom- en digitaal onderzoek, in onderlinge samenhang bezien, wordt wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte, de schutter is geweest.
De combinatie van doelgerichte voorbereiding, uitvoering en vlucht bevestigt dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, hetgeen voldoende vormt voor de bewezenverklaring van medeplegen poging tot moord op [benadeeldepartij] op 5 april 2025.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 1:119, 1:123 en 2:259 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen poging tot moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden wordt voor het plegen van moord, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaar genoemd. Bij een voltooide poging tot moord wordt in de praktijk doorgaans ongeveer een derde van deze indicatieve straf in mindering gebracht, gezien het feit dat het misdrijf niet tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.
Terwijl het slachtoffer op een avond nietsvermoedend in de deuropening van zijn bandenzaak stond is hij door de verdachte zonder enige waarschuwing en meedogenloos neergeschoten. Verdachte heeft drie kogels van nabij op het slachtoffer afgevuurd, waarbij het laatste schot werd gelost terwijl het slachtoffer al weerloos op de grond lag. Deze handelwijze geeft het beeld van een ijskoude poging tot liquidatie. Het slachtoffer is geraakt in zijn nek en borst, waardoor hij een dwarslaesie heeft opgelopen en blijvende gevoels- en bewegingsstoornissen heeft opgelopen.
Het handelen van de verdachte heeft bij het slachtoffer ernstig en blijvend lichamelijk en psychisch letsel veroorzaakt. Het slachtoffer is tot op heden aan bed gekluisterd, zal niet meer kunnen lopen en heeft helse pijnen. Naast het enorme fysieke leed zal zijn gevoel van veiligheid ernstig zijn aangetast. De directe omgeving van het slachtoffer is geconfronteerd met een plotseling en doelbewust geweldsmisdrijf, met ingrijpende gevolgen voor hun dagelijks functioneren. Het Gerecht acht de ernst van de daad des te groter omdat het incident doelbewust en systematisch is voorbereid: de verdachte voerde vooraf een observatie uit, benaderde het slachtoffer gericht, loste meerdere schoten – zelfs terwijl het slachtoffer al op de grond lag - en vluchtte daarna met de chauffeur van de auto.
Uit de beschikbare informatie komt naar voren dat het motief voor het handelen van de verdachte mogelijk in de relationele sfeer is gelegen en verband kan houden met jaloezie. Dit motief is echter niet met zekerheid komen vast te staan. Voor zover het handelen van de verdachte door dergelijke relationele spanningen is ingegeven, geldt dat dit het doelgerichte en voorbereide karakter van het feit kan verklaren, maar uiteraard in geen geval een rechtvaardiging of verontschuldiging vormt voor het gepleegde geweld.
Het Gerecht houdt tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (UJD) van 25 april 2025 blijkt dat verdachte in 2024 door de politierechter in Noord-Holland is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet. Uit dit UJD en de strafkaart van 25 april 2025 volgt verder dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf als waarvan hij nu wordt verdacht. Dit vormt echter geen verzachtende omstandigheid die afdoet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht verenigt zich met het standpunt van de officier van justitie dat, alles overziend, een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren in dit geval passend en geboden is.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeeldepartij] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft een opgave van de geleden schade ingediend en gevorderd dat het maximum toegestane bedrag in een strafzaak van Cg. 50.000,00 wordt toegewezen. De benadeelde partij heeft uiteengezet dat de materiele schade Cg. 4.436,52 bedraagt en de immateriële schade Cg. 350.000,00.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot het maximale bedrag dat wettelijk gezien kan worden toegewezen, nu de vordering voldoende is onderbouwd.
De verdediging heeft de vordering betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het een bedrag van Cg. 4.436,52 (hoog/laag-bed, voedingssupplement, aanschaf nieuwe koelkast, niet genoten huur, ventilator), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt het Gerecht als volgt.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien (sub b) de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De heer [benadeeldepartij] heeft ten gevolge van de schotwonden een dwarslaesie opgelopen. Dit blijkt genoegzaam uit de overgelegde medische stukken. Reeds daarom komt de vordering voor toewijzing in aanmerking.
Daarnaast is duidelijk dat tevens sprake is van geestelijk letsel. Het feit dat de heer [benadeeldepartij] door de gebeurtenis een dwarslaesie heeft opgelopen leidt vanzelfsprekend tot geestelijk letsel. Dit blijkt ook de brief van de heer [benadeeldepartij], waarin hij beschrijft hoe zijn leven plotsklaps een afschuwelijke wending heeft genomen. Op indringende wijze beschrijft de heer [benadeeldepartij] de ingrijpende en voortdurende psychische gevolgen, waaronder gevoelens van angst, verlies van zelfstandigheid en een blijvende aantasting van zijn levensvreugde en dagelijks functioneren. Deze gevolgen houden rechtstreeks verband met het schietincident en het daardoor veroorzaakte letsel.
Op grond van artikel 374 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering dient de vordering van de benadeelde partij zich in het strafgeding te beperken tot een bedrag van ten hoogste Cg. 50.000. Gelet hierop kan slechts tot dit maximum in het strafgeding worden beslist.
Het Gerecht zal de vordering tot immateriële schade een bedrag van Cg 45.563,48 toewijzen, nu dit bedrag – samen met de materiële schadevergoeding - binnen de wettelijke grens blijft en het Gerecht dit, gelet op de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan, billijk acht.
Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Het Gerecht ziet aanleiding ter zake van de toegewezen vordering een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.
Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van de verschuldigde bedragen niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
14 (veertien) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeeldepartij]geleden schade toe tot een bedrag van
Cg 50.000 (zegge: vijftigduizend),vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij
[benadeeldepartij]de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van
Cg 50.000 (zegge: vijftigduizend),bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
225 (tweehonderd vijfentwintig)dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.J. van Rijssen, bijgestaan door mr. M.S. Dip, (zittingsgriffier), en op 12 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

Voetnoten

1.Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao (Lokaal ernstige criminaliteit) d.d. 28 november 2025 en 4 december 2025 en de onderzoeksnaam “Tire” (aanvullend procesdossier).