ECLI:NL:OGEAC:2026:44

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
CUR202502178
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 LvOVArt. 7 LvOV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ongevallenuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Eiser, voormalig systeembeheerder, kreeg ongevallenuitkering na een bedrijfsongeval in 2017 waarbij hij een hoofdcontusie opliep. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beëindigde per 21 mei 2024 zijn uitkering na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waarin eiser volledig arbeidsgeschikt werd verklaard.

Eiser voerde beroep aan tegen de beëindiging, uitsluitend gericht op de medische grondslag. Hij overhandigde een brief van zijn behandelend neuropsycholoog, die beperkingen stelde, maar het Gerecht oordeelde dat deze informatie onvoldoende was om de medische beoordeling van de verzekeringsarts te betwijfelen. De verzekeringsarts had uitgebreid onderzoek gedaan, dossieronderzoek verricht en medische informatie van behandelaren betrokken.

Het Gerecht stelde vast dat de beperkingen die de neuropsycholoog in 2024 constateerde, niet aannemelijk het gevolg zijn van het ongeval in 2017, mede gezien eerdere onderzoeken zonder afwijkingen en de aanwezigheid van andere medische aandoeningen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beëindiging van de ongevallenuitkering gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de ongevallenuitkering per 21 mei 2024 terecht beëindigd.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonend in Curaçao,
eiser,
gemachtigden: mr. N.V. Ribeiro en mr. P. van der Valk;
en

de Sociale Verzekeringsbank,

verweerster,
gemachtigde: mr. N.S. Dare,
Partijen worden hierna aangeduid als eiser en de SVB.

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de SVB om hem per 21 mei 2024 arbeidsgeschikt te achten en zijn ongevallenuitkering per die datum te beëindigen.
1.2
Bij beschikking van 21 maart 2024 heeft de SVB de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op nihil en het recht op ongevallengeld met ingang van 21 mei 2024 beëindigd.
1.3
Het bezwaar van eiser tegen deze beschikking heeft de SVB niet tot een ander oordeel gebracht. Bij beschikking van 30 april 2025 (de bestreden beschikking) heeft de SVB het door eiser gemaakte bezwaar dan ook ongegrond verklaard en de beëindiging gehandhaafd.
1.4
Eiser heeft tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld.
1.5
De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
1.6
Eiser heeft op 9 februari 2026 een brief van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] van gelijke datum overgelegd.
1.7
Bij reactie van 12 februari 2026 heeft de SVB op deze brief gereageerd.
1.8
Het Gerecht heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser was daarbij aanwezig, samen met mrs. Ribeiro en Van der Valk. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dare. Namens de SVB waren ook medisch adviseur [naam verzekeringsarts 1] en verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 2] aanwezig.

Beoordeling door het Gerecht

2.1
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft uitsluitend gronden aangevoerd tegen de medische grondslag van de bestreden beschikking en deze slagen niet. De door eiser overgelegde informatie van zijn behandelend neuropsycholoog biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts. Dat eiser nog onder behandeling is, staat evenmin aan beëindiging van de ongevallenuitkering in de weg.
2.3
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Eiser was als systeembeheerder werkzaam bij Lapal B.V. Op 15 mei 2017 heeft hij een bedrijfsongeval gehad, waarbij hij na een val met zijn voorhoofd tegen een lessenaar is geslagen. Als gevolg daarvan heeft hij een contusie aan het hoofd opgelopen en is hij arbeidsongeschikt verklaard. Aan eiser is door zijn werkgever ongevallengeld betaald totdat zijn dienstverband op 1 september 2019 werd beëindigd. Met ingang van die datum ontving hij ongevallengeld van de SVB.
3.2
In het kader van een herbeoordeling heeft de SVB een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek laten verrichten naar de arbeidsgeschiktheid van eiser. Op basis van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat eiser volledig arbeidsgeschikt moet worden geacht. Vervolgens heeft de SVB de bestreden beschikking genomen, die heeft geleid tot het procesverloop zoals weergegeven in de inleiding van deze uitspraak. Nu eiser uitsluitend gronden heeft aangevoerd tegen de medische beoordeling, laat het Gerecht de arbeidskundige grondslag van de bestreden beschikking buiten bespreking.
Wat is de medische grondslag van de bestreden beschikking?
4.1
De verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 1] heeft eiser op 25 maart 2022 op het spreekuur gezien, dossieronderzoek verricht en medische informatie opgevraagd bij zijn behandelaren, waaronder bij neuropsycholoog [naam neuropsycholoog]. Volgens de verzekeringsarts heeft eiser beperkingen als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van het bedrijfsongeval. Zij heeft deze beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 20 mei 2022. Deze beperkingen houden in dat eiser niet langdurig aaneengesloten computerwerk kan verrichten en niet kan werken in situaties die spanningen opleveren, zoals werk onder tijdsdruk, werk waarbij meerdere taken gelijktijdig moeten worden uitgevoerd of waarbij sprake is van afleiding door anderen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen ten aanzien van langdurig zitten, zwaar tillen en dragen, duwen en trekken en frequent bukken. Vanwege duizeligheidsklachten kan eiser ook niet werken met machines. In de medische informatie die de verzekeringsarts heeft opgevraagd bij de behandelaren van eiser, ziet de verzekeringsarts geen reden om meer beperkingen te stellen. Volgens de verzekeringsarts kan eiser arbeid verrichten, met inachtneming van deze beperkingen. Van een situatie dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft om arbeid te verrichten is geen sprake.
4.2
In reactie op het bezwaarschrift van eiser heeft verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 3] toegelicht waarom de informatie van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] geen aanleiding geeft om aanvullende beperkingen aan te nemen. Zij wijst erop dat eiser de bevindingen van [naam neuropsycholoog] in zijn bezwaarschrift niet volledig heeft weergegeven. [Naam neuropsycholoog] heeft namelijk ook geconcludeerd dat in het onderzoek geen significante cognitieve tekorten konden worden geobjectiveerd en dat de klachten mogelijk een psychogene oorzaak hebben. Verder licht de verzekeringsarts toe waarom zij de conclusie van [naam neuropsycholoog], dat sprake is van significante cognitieve stoornissen als gevolg van de hersenschudding in 2017, niet volgt. Daarbij wijst zij erop dat een jaar na het ongeval een neuropsychologisch onderzoek is verricht zonder afwijkende resultaten. Bovendien heeft [naam neuropsycholoog] steeds gesteld dat sprake is van een aanpassingsstoornis.
Waar gaat het niet meer over in deze zaak?
5. In het beroepschrift heeft eiser meerdere beroepsgronden aangevoerd. Op de zitting heeft hij een aantal daarvan ingetrokken. Eiser heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij alleen de volgende twee beroepsgronden handhaaft:
omdat hij nog onder behandeling is van een specialist ontbreekt op grond van artikel 7, aanhef en onder b, LvOV grond om het ongevallengeld te beëindigen;
op grond van de informatie van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] dienen meer beperkingen te worden aangenomen dan de verzekeringsarts heeft gedaan.
Het Gerecht laat de tijdens de zitting ingetrokken beroepsgronden onbesproken en bespreekt hierna de twee resterende beroepsgronden achtereenvolgens.
Staat artikel 7, aanhef en onder b, LvOV aan intrekking van het ongevallengeld in de weg?
6. Eiser voert aan dat artikel 7, aanhef en onder b, van de LvOV in zijn geval aan beëindiging van zijn ongevallenuitkering in de weg staat. In die bepaling is opgenomen dat de werknemer zijn recht op een ongevallenuitkering verliest zolang hij zich niet onder behandeling van een geneeskundige heeft gesteld. Omdat eiser nog onder behandeling is, bestaat volgens hem geen grond om zijn uitkering te beëindigen.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
7.1
De omstandigheid dat niet is voldaan aan een beëindigingsgrond als bedoeld in artikel 7 van Pro de LvOV betekent niet dat daarmee ook recht bestaat op ongevallengeld. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de voorwaarden voor het recht op ongevallengeld en de gronden voor beëindiging daarvan.
Op grond van artikel 5 van Pro de LvOV heeft de werknemer die als gevolg van een ongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, recht op ongevallengeld. Nu eiser volledig arbeidsgeschikt is geacht, voldoet hij niet (meer) aan deze voorwaarde. Dat eiser zich nog onder behandeling heeft gesteld en daarmee niet voldoet aan de beëindigingsgrond van artikel 7, aanhef en onder b, van de LvOV, leidt daarom niet tot het oordeel dat hij recht heeft op voortzetting van de uitkering.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de medische beoordeling onjuist is?
8. Eiser voert verder aan dat op basis van de ingebrachte informatie van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan de verzekeringsarts heeft gedaan.
9. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
9.1
De SVB mag beschikkingen over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapportages van verzekeringsartsen, mits deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en inzichtelijk en concludent zijn. Indien een verzekerde betwist dat de SVB zijn besluit op een dergelijke rapportage mocht baseren, is het aan hem om dit te onderbouwen. Hij dient daartoe aan te voeren en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de rapportage niet aan de hiervoor genoemde eisen voldoet of dat de medische beoordeling onjuist is. Hoewel dergelijke gronden ook door niet-medisch geschoolden kunnen worden aangevoerd, is voor het aannemelijk maken van de onjuistheid van een medische beoordeling in beginsel een rapportage van een medicus vereist.
9.2
Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiser met de informatie van [naam neuropsycholoog] niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts onvoldoende beperkingen heeft aangenomen. Daartoe overweegt het Gerecht als volgt.
9.2.1
Het onderzoek van de verzekeringsarts voldoet aan de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen. De verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur gezien en hem zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Daarnaast heeft zij dossieronderzoek verricht en medische informatie van de behandelaren van eiser opgevraagd en bij haar beoordeling betrokken. Anders dan eiser tijdens de zitting heeft gezegd, is de medische beoordeling dus niet alleen gebaseerd op een korte waarneming van eiser.
9.2.2
De verzekeringsarts heeft vervolgens inzichtelijk gemotiveerd welke beperkingen zij op grond van dit onderzoek heeft aangenomen. Ook heeft zij toereikend gemotiveerd waarom de informatie van de behandelaren geen aanleiding geeft tot het aannemen van verdergaande beperkingen. Daarbij heeft zij zowel in haar rapport, dat aan de beëindigingsbeschikking ten grondslag ligt, als in haar reactie op het bezwaarschrift uitdrukkelijk aandacht besteed aan de informatie van neuropsycholoog [naam neuropsycholoog].
9.2.3
Naar het oordeel van het Gerecht heeft de verzekeringsarts – mede op basis van haar toelichting ter zitting – overtuigend gemotiveerd dat uit deze informatie niet volgt dat eiser op de datum in geding (21 mei 2024) verdergaande beperkingen had als gevolg van het bedrijfsongeval in 2017. De verzekeringsarts heeft daarbij toegelicht dat bij een contusie zoals bij eiser eventuele cognitieve stoornissen zich in de regel kort na het ongeval manifesteren. Bij eiser zijn dergelijke stoornissen niet op korte termijn na het ongeval vastgesteld. Integendeel: neuropsycholoog [naam neuropsycholoog] heeft eiser in 2018 onderzocht, welk onderzoek geen cognitieve stoornissen liet zien. Ook bij een onderzoek in 2022 zijn geen cognitieve stoornissen vastgesteld en is de diagnose aanpassingsstoornis gesteld. Pas in 2024 heeft [naam neuropsycholoog] bij eiser duidelijke beperkingen vastgesteld op meerdere cognitieve domeinen. De verzekeringsarts heeft overtuigend toegelicht dat het niet aannemelijk is dat deze beperkingen, die pas jaren na het ongeval zijn vastgesteld, alsnog het gevolg zijn van het in 2017 opgelopen letsel. Daarbij heeft zij er tevens op gewezen dat bij eiser sprake is van diabetes en hypertensie, die als alternatieve verklaring voor deze afwijkingen kunnen dienen.
9.3
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medische beoordeling onjuist is. Het Gerecht gaat uit van de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts. Nu eiser geen gronden heeft gericht tegen de arbeidskundige beoordeling, gaat het Gerecht ook van de juistheid van die beoordeling uit. Dat betekent dat de SVB het arbeidsongeschiktheids-percentage terecht heeft vastgesteld op nihil en het ongevallengeld van eiser terecht per 21 mei 2024 heeft beëindigd. Het Gerecht zal het beroep van eiser daarom ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

10. Omdat het Gerecht het beroep van eiser ongegrond verklaart, blijft de bestreden beschikking in stand. Dat betekent dat eiser vanaf 21 mei 2024 geen recht heeft op ongevallengeld.
11. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht:
-
verklaarthet beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mrs. S. Lanshage, voorzitter, J. Sybesma en P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.