ECLI:NL:OGEAC:2026:7

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
CUR202403116
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C.B. Hubben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming koopovereenkomst wegens vervalste handtekening

Partijen hebben tussen 2009 en 2013 samengewerkt in de exploitatie van een kinderdagverblijf. Per 1 januari 2014 wijzigde de samenwerking waarbij de gedaagde de bedrijfsvoering weer op zich zou nemen. De eiser vordert betaling van een bedrag van Cg 60.000 op grond van een koopovereenkomst van 27 december 2013, waarin de gedaagde zou hebben toegezegd dit bedrag te betalen voor het terugkrijgen van de bedrijfsvoering.

De gedaagde betwist de geldigheid van de overeenkomst en stelt dat zijn handtekening op het document vervalst is. Het gerecht stelt vast dat de handtekening niet door de gedaagde is geplaatst, mede op basis van verklaringen van de eiser en diens ex-echtgenote. Hierdoor is de overeenkomst niet tot stand gekomen.

De vordering tot nakoming wordt daarom afgewezen. De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde, begroot op Cg 3.000. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de koopovereenkomst wordt afgewezen wegens vervalste handtekening.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202403116
Vonnis van 12 januari 2026
in de zaak van
[Eiser],wonend in [woonplaats],
eiser,
gemachtigden: voorheen mrs. M.H.M. Janssen en T.E. Matroos,
thans procederend in persoon,
tegen
[Gedaagde],
wonend in [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: voorheen mr. G.C.A. Scheperboer-Parris,
thans procederend in persoon.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 14 augustus 2024,
  • de conclusie van antwoord,
  • de akte wijziging van eis tevens van indiening producties van [eiser],
  • de producties van [gedaagde] ingediend op 1 april 2025,
  • de mondelinge behandeling van 4 april 2025,
  • de pleitnotities van de gemachtigden;
  • de akte van [gedaagde] van 26 mei 2025;
  • de akte uitlating producties van [eiser], ingekomen via e-mail aan het gerecht van 28 mei 2025.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben tussen 2009 en 2013 samengewerkt bij het uitbaten van een kinderdagverblijf in Curaçao.
2.2.
Per 1 januari 2014 is er een wijziging gekomen in de samenwerking in die zin dat [eiser] niet langer de bedrijfsvoering van het kinderdagverblijf genaamd Dino’s Place op zich nam en dat [gedaagde] dit (weer) zou gaan doen.

3.De vordering en de standpunten van partijen

3.1. [
eiser] vordert dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt tot betaling van Cg 60.000, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2. [
eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat tussen partijen, althans zijn ex-echtgenote en [gedaagde], een koopovereenkomst is getekend op 27 december 2013 waarin is overeengekomen dat [gedaagde] voor het opnieuw in handen krijgen van de bedrijfsvoering van het kinderdagverblijf een bedrag van Cg 60.000 zou betalen aan [eiser], welke betaling is uitgebleven.
3.3. [
gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer naar voren gebracht dat hij de betreffende koopovereenkomst nooit heeft ondertekend en dat zijn handtekening daarop is vervalst.

4.De beoordeling

4.1.
Dit geschil draait om de vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen zoals gesteld door [eiser]. Zijn vordering tot nakoming is daarop immers gegrond. Hij heeft een document in het geding gebracht waarop de handtekening van [gedaagde] te zien is. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij die handtekening daarop heeft geplaatst. De handtekening moet door of namens [eiser] daarop zijn geplaatst en van een ander document zijn gekopieerd, zo luidt samengevat zijn verweer.
4.2.
Dit verweer slaagt. Uit de akte van [gedaagde] van 26 mei 2025 blijkt dat [eiser] na de zitting zelf heeft bevestigd dat de betreffende handtekening niet door [gedaagde] op de vermeende overeenkomst is geplaatst (productie 5, e-mail van 5 mei 2025) terwijl zijn ex-echtgenote al eerder in de tijd had aangegeven in een e-mail van 1 oktober 2024 (productie 8 conclusie van antwoord) dat zij zich een dergelijke overeenkomst niet kan herinneren. [eiser] heeft geen aanleiding gezien daarop nog een nadere toelichting te geven in zijn akte uitlating producties, zodat van dit feit in rechte moet worden uitgegaan.
4.3.
Nu vast is komen te staan dat [gedaagde] de overeenkomst niet heeft ondertekend kan reeds daarom van die overeenkomst geen nakoming worden gevorderd, omdat deze niet geacht wordt tot stand te zijn gekomen. De vordering van [eiser] moet dan ook worden afgewezen.
4.4.
Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 3.000 (2 punten x tarief 6) aan gemachtigdensalaris.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Cg 3.000;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.B. Hubben, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.