ECLI:NL:OGEAC:2026:99

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
CUR202600285
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1615p lid 2 BWArt. 7A:1615w BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie met toekenning billijke vergoeding

De werknemer trad in 2009 in dienst bij MCB als Senior Programmer/Analyst. Na het overlijden van zijn moeder in januari 2025 kreeg hij toestemming om volledig vanuit huis te werken onder voorwaarde van begeleiding door de Arbodienst. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde hij mee te werken aan medische evaluaties en keerde niet terug naar het hybride werkschema.

MCB verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens weigering van de werknemer om terug te keren naar kantoor en het niet nakomen van stand-by diensten, wat de bedrijfsvoering negatief beïnvloedde. De werknemer verzocht eveneens ontbinding en een vergoeding wegens gebrek aan vertrouwen in verdere samenwerking.

Het gerecht oordeelde dat de arbeidsrelatie onherstelbaar verstoord is en ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2026. Gelet op de omstandigheden, waaronder de langdurige dienstverband en verwijtbaarheid, werd een billijke vergoeding van Cg 225.000 toegekend. MCB kreeg de mogelijkheid het verzoek in te trekken, met proceskostenveroordeling bij intrekking.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2026 met toekenning van een billijke vergoeding van Cg 225.000 aan de werknemer.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202600285
Beschikking van 20 april 2026
in de zaak van
MADURO & CURIEL’S BANK N.V.,gevestigd in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. G.B. Steward,
tegen
[Verweerder],wonend in [woonplaats],
verweerder,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna MCB en [verweerder] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 27 januari 2026, met producties,
  • de mondelinge behandeling van 19 maart 2026 waarbij MCB is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, en [verweerder] in persoon.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.2. De feiten

2.1. [
verweerder], thans [leeftijd] jaar oud, is op 1 maart 2009 in dienst getreden bij MCB in de functie van Senior Programmer/Analyst tegen een salaris van laatstelijk Cg 11.292 bruto per maand.
2.2.
MCB biedt haar werknemers de mogelijkheid om in voorkomende gevallen vanuit huis te werken indien de aard van de werkzaamheden en de verdeling van de werkzaamheden binnen de organisatie dit toelaten. MCB heeft daartoe een zogenaamd “Hybrid Work”-beleid ontwikkeld. Met de werknemers die conform dit beleid thuis mogen werken gaat MCB een aparte schriftelijke overeenkomst aan, de zogenoemde “Hybrid Work Agreement”. MCB heeft met [verweerder] een dergelijke overeenkomst gesloten met ingangsdatum 1 maart 2022 waarbij [verweerder] drie dagen per week thuis werkte. Hij diende op maandagen en vrijdagen op het werk te verschijnen.
2.3.
Op 5 januari 2025 overleed de moeder van [verweerder] waarna MCB het verzoek van [verweerder] om de gehele week vanuit huis te mogen werken inwilligde, onder de voorwaarde dat [verweerder] zich zou laten begeleiden door de Arbodienst. [verweerder] ging met die voorwaarde akkoord. De arts F.E. Semper (hierna: Semper) van Work Health Balance N.V. (hierna: WHB) zou [verweerder] in dat kader begeleiden. Daarnaast werd [verweerder] voorlopig vrijgesteld om stand-by te staan na werktijd en in het weekend.
2.4.
Bij brieven van 6 en 19 februari 2025 adviseerde Semper MCB om [verweerder] tot ten minste respectievelijk 19 februari en 5 maart 2026 gedurende vijf dagen per week vanuit huis te laten werken en hem vrij te stellen van de stand-by diensten.
2.5.
Bij brief van 17 maart 2025 berichtte Semper MCB dat [verweerder] afzag van verdere evaluatie zoals vereist door de WHB volgens de standaardprocedures voor bedrijfsgezondheidszorg en dat WHB daarom geen vervolg verslag aan MCB kon verstrekken. Het daaropvolgende voorstel van 17 maart 2025 van WHB aan [verweerder] om een evaluatie door een deskundige van WHB werd door [verweerder] afgewezen.
2.6.
Bij e-mail van 28 april 2025 deed MCB de volgende drie voorstellen aan [verweerder]:
1) een schriftelijke aanbeveling van [verweerder]’s gezinstherapeut;
2) een aanbeveling van een psycholoog van WHB;
3) hervatting van het werk conform de Hybrid Work Agreement en met inachtneming van het rooster waarop [verweerder] vanuit zijn werkplek binnen de organisatie zijn werkzaamheden dient te verrichten.
[verweerder] heeft uiteindelijk alle drie de voorstellen afgewezen.
2.7.
In een gesprek op 30 april 2025 tussen [verweerder], de HR Relationship Manager en een maatschappelijk werker werd aan [verweerder] uitgelegd dat, om hem nog langer volledig vanuit huis te laten werken, een medisch advies was vereist. Uiteindelijk stemde [verweerder] alsnog in met een evaluatie door een psycholoog van WHB, maar dat was zonder resultaat.
2.8.
Op 13 juni 2025 vond een gesprek plaats tussen de HR Relationmanager van MCB en [verweerder] waarvan een verslag is gemaakt. In een vervolggesprek op 24 juni 2024 stemde [verweerder] ermee in om een evaluatieonderzoek te ondergaan bij de Arbodienst. Dat vond plaats op 4 juli 2025.
2.9.
Op 4 juli 2025 adviseerde de bedrijfsarts dat [verweerder] per 14 juli 2025 een dag per week op kantoor zou komen werken en per 28 juli 2025 twee dagen per week, zodat hij volledig zou kunnen voldoen aan zijn contractuele verplichtingen. [verweerder] was het hier niet mee eens.
2.10.
Bij e-mail van 4 augustus 2025 berichtte [verweerder] MCB dat hij zijn reguliere hybride werkschema zal hervatten na een succesvolle afronding van zijn rouwproces. Intussen zal hij al zijn taken blijven uitvoeren zoals hij sinds januari 2025 heeft gedaan.
2.11.
Naar aanleiding van een gesprek op 25 augustus 2025 stemde [verweerder] ermee in om naar Optima Arbodienst te gaan. Op de afspraken op 28 augustus en 1 september 2025 verscheen [verweerder] niet en berichtte hij MCB dat hij naar geen enkele afspraak meer zou gaan, vanuit huis zou blijven werken en dat er geen rekening werd gehouden met zijn omstandigheden.
2.12.
Bij e-mail van 2 september 2025 berichtte MCB [verweerder] als volgt.
Deze e-mail dient als een laatste en formele instructie om u vandaag, dinsdag 2 september 2025 om 14.00 uur te melden bij onze bedrijfsgezondheidsdienst Optima Arbodienst. Deze instructie wordt uitgegeven vanwege de volgende gebeurtenissen:
-U bent herhaaldelijk geadviseerd om terug te keren naar uw overeengekomen hybride werkschema, maar u heeft dit niet gedaan.
-U bent niet verschenen op een geplande afspraak met Optima Arbodienst op donderdag 28 augustus 2025, nadat u had bevestigd dat u er zou zijn.
-U bent niet verschenen op een verplichte afspraak met Optima Arbodienst op maandag 1 september 2025.
Het doel van deze afspraak is dat u professionele ondersteuning en begeleiding ontvangt van hun personeel om terug te keren naar het overeengekomen hybride werkschema. Wees u bewust van de ernstige gevolgen van het niet naleven van deze instructie. Het niet verschijnen op deze afspraak zal worden beschouwd als een aanhoudende weigering om een redelijke en wettige instructie van uw werkgever op te volgen (conform artikel 7A:1615p lid 2, onder 10 van het Burgerlijk Wetboek). In een dergelijk geval zal de Bank genoodzaakt zijn onmiddellijk een rechtszaak aan te spannen om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken en uw toegang tot de werkomgeving te ontzeggen. Wij vertrouwen erop dat deze kwestie niet zal escaleren en verwachten dat u zich aan deze laatste instructie houdt.
2.13.
In reactie hierop berichtte [verweerder] MCB bij e-mail van 2 september 2025 dat hij geen gebruik zal maken van de Arbodienst omdat hij niet ziek is en geen hulp heeft gevraagd. Hij werkt elke dag vanuit zijn thuiskantoor, een faciliteit die door de bank is gecreëerd voor situaties waarin de werknemer niet naar kantoor kan komen zoals in zijn geval.
Hij is al bij zowel WHB als Optima geweest en beiden hebben als enige doel hem naar kantoor te sturen zonder te weten wat hij doormaakt.
Hij heeft MCB gevraagd hem wat tijd te geven om met predikanten en ouderen te overleggen om meer informatie te krijgen over het rouwproces, zodat hij begrijpt wanneer dit allemaal voorbij is en hij zijn hybride schema kan hervatten, maar MCB blijft druk uitoefenen maar maakt zijn situatie moeilijker.
Hij wil dat MCB weet dat er een God is die over onze schouders waakt en op het perfecte moment ingrijpt.
2.14.
In aanloop naar de beëindiging van de arbeidsrelatie werd [verweerder] de toegang tot de werkomgeving van MCB ontzegd.
2.15.
Op 7 oktober 2025 diende MCB bij de Directie Arbeid van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn een verzoek in om toestemming tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder]. Dit verzoek werd bij beschikking van 10 december 2025 afgewezen.

3.3. Het verzoek3.1. MCB verzoekt het gerecht om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden wegens gewichtige redenen in de zin van gewijzigde omstandigheden, zulks onder toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder], kosten rechtens.

3.2.
MCB legt aan haar verzoek ten grondslag, samengevat, dat [verweerder] weigert om naar de werkvloer terug te keren en om weekend en stand-by diensten te verrichten. Hierdoor moeten zijn IT-collega’s de daarmee verband houdende werkzaamheden opvangen en lopen andere IT-projecten vertraging op. Daarnaast is de fysieke aanwezigheid van [verweerder] op de werkvloer vereist voor onder meer kennisoverdracht en discussies. MCB heeft [verweerder] deskundige begeleiding aangeboden, maar hij weigert om mee te werken aan zijn terugkeer naar kantoor. Hij onttrekt zich volledig aan zijn verplichtingen binnen het IT-team en de organisatie wat voor MCB onaanvaardbaar is. Er is geen vooruitzicht op verbetering of op een vruchtbare samenwerking. Daarmee is de arbeidsrelatie vanwege [verweerder]’s acties onherstelbaar verstoord. Onder deze omstandigheden kan van MCB niet worden gevergd dat zij de arbeidsverhouding voortzet.
3.2. [
verweerder] heeft ter zitting verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, omdat hij geen vertrouwen meer heeft in een verdere samenwerking met MCB. Hij verzoekt het gerecht aan hem een vergoeding toe te kennen ten laste van MCB.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.4. De beoordeling4.1. In het kader van het door MCB ingestelde verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden beoordeeld of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1615w van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (BW). Het gerecht is van oordeel dat van zodanige gewichtige redenen bestaande uit veranderingen in de omstandigheden sprake is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is voldoende gebleken dat van partijen redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, nu beide partijen hebben verklaard geen vertrouwen meer te hebben in een verdere samenwerking.

4.2.
De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden met ingang van 1 mei 2026.
4.3.
Partijen zijn het erover eens zijn dat aan [verweerder] een vergoeding toekomt. Met het oog op alle omstandigheden van het geval acht het gerecht het op grond van artikel 7A:1615w lid 5 BW billijk dat aan [verweerder] een vergoeding wordt toegekend. Beoordeeld dient te worden wat de hoogte van die vergoeding moet zijn.
4.4.
MCB stelt zich in dit verband op het standpunt dat de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate aan [verweerder] is te wijten, aangezien MCB zich voldoende heeft ingezet om hem te begeleiden, maar [verweerder] niet voor rede vatbaar is.
4.5. [
verweerder] heeft het gerecht verzocht om aan hem een vergoeding toe te kennen van ten minste dertig maandsalarissen. Gelet op zijn leeftijd zal hij geen ander werk meer kunnen vinden en bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zal zijn maandinkomen fors lager zijn dan zijn huidige maandsalaris. Daarnaast wijst hij erop dat hij altijd tot volle tevredenheid van MCB heeft gewerkt, altijd respectvol is geweest naar zijn collega’s en anderen toe, zich nooit ziek heeft gemeld en nooit problemen heeft gehad.
4.6.
Zoals ter zitting is besproken houdt het gerecht bij het bepalen van een billijke vergoeding onder meer rekening met de leeftijd van [verweerder], de duur van zijn dienstverband, zijn vooruitzichten op de arbeidsmarkt, de hoogte van zijn salaris en de mate van verwijtbaarheid van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval.
4.7.
Met betrekking tot de mate van verwijtbaarheid in het licht van de omstandigheden van het geval overweegt het gerecht als volgt. Uit de stukken blijkt dat MCB zich voldoende heeft ingezet om [verweerder] te begeleiden in de periode na 5 januari 2025 waarin hij voorlopig volledig vanuit huis mocht werken. De enige voorwaarde die zij daaraan stelde was dat [verweerder] zich zou laten begeleiden door de Arbodienst. MCB heeft [verweerder] herhaaldelijk gewezen op zijn verplichtingen en hem te kennen gegeven dat zijn weigering om in contact te treden met de Arbodienst en medisch advies in te winnen verstrekkende gevolgen kon hebben voor zijn dienstverband bij MCB. Begrijpelijk is dat MCB niet in strijd met haar beleid en de tussen partijen gesloten Hybrid Work Agreement wenste te handelen door [verweerder] zonder medische toetsing toe te staan volledig vanuit huis te werken. Het handelen van [verweerder] had immers ook gevolgen voor de bedrijfsvoering van MCB, onder meer doordat [verweerder] niet stand-by stond voor de avonden en de weekenden waardoor zijn collega’s extra werden belast.
4.8.
Het gerecht houdt er echter rekening mee dat [verweerder] kennelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij nog immer toestemming had van MCB om volledig vanuit huis te mogen werken. Hoewel dit voor zijn risico komt, omdat hij kon dan wel behoorde te weten, dat hij zich diende te laten begeleiden door de Arbodienst en MCB hem daar ook meermaals op had gewezen, maakt dit dat zijn handelen hem niet in volle omvang kan worden aangerekend.
4.9.
Daar komt bij dat [verweerder] gedurende zijn langdurige dienstverband bij MCB steeds goed heeft gefunctioneerd. Niet is in geschil dat hij ook na 5 januari 2025 zijn werkzaamheden naar behoren is blijven uitoefenen.
4.10.
Daartegenover staat dat het [verweerder] in ieder geval naar aanleiding van het gesprek met de bedrijfsarts op 4 juli 2025 redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij zijn werkzaamheden niet langer volledig vanuit huis mocht blijven verrichten en dat hij per 14 juli 2025 weer een dag per week naar kantoor moest komen en per 28 juli 2025 twee dagen per week (zie hiervoor onder r.o. 2.8.). [verweerder] heeft hiertegen aangevoerd dat hij zijn rouwproces nog niet had voltooid en dat MCB de goedkeuring om volledig vanuit huis te mogen werken nooit heeft ingetrokken. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat een afwijking van wat partijen waren overeengekomen in de Hybrid Work Agreement slechts mogelijk was indien daaraan een medisch advies ten grondslag lag (zie hiervoor onder r.o. 2.5. t/m 2.13.). Verder blijkt uit die stukken dat [verweerder] in augustus/ september 2025 helemaal niet meer wilde meewerken aan de voorwaarde waaronder hij van MCB toestemming had verkregen om volledig vanuit huis te mogen werken. Hij wilde zich immers niet meer laten begeleiden door de Arbodienst. Onder deze omstandigheden kan [verweerder] zich niet met succes beroepen op de goedkeuring van MCB om volledig vanuit huis te mogen werken. Dit neemt niet weg dat [verweerder] zijn werkzaamheden is blijven verrichten. [verweerder] heeft zijn werkzaamheden eerst gestaakt nadat MCB hem daartoe feitelijk de mogelijkheid had ontnomen door hem af te sluiten van haar werkomgeving. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [verweerder] zijn werkzaamheden niet langer kon verrichten.
4.11.
Gelet op alle hiervoor vermelde omstandigheden is het gerecht van oordeel dat de oorzaak van de ontbinding in enige mate is gelegen in de risicosfeer van [verweerder]. Het gerecht acht een vergoeding van Cg 225.000 bruto passend en billijk.
4.12.
Nu aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding wordt verbonden, zal MCB, gelet op het bepaalde in artikel 7A:1615w lid 6 BW, in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna te melden termijn.
4.13.
Indien MCB haar ontbindingsverzoek intrekt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], die tot aan deze uitspraak worden begroot op nihil. Als MCB haar ontbindingsverzoek niet intrekt, brengt de uitkomst van deze procedure met zich dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.5. De beslissing

Het gerecht:
5.1.
stelt partijen in kennis van haar voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2026 te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden, onder toekenning van na te melden billijke vergoeding aan [verweerder] ten laste van MCB;
5.2. stelt MCB in de gelegenheid om schriftelijk, uiterlijk 28 april 2026, het verzoek in te trekken en daarvan mededeling te doen aan de griffier van het gerecht;
5.3.
veroordeelt MCB voor zover zij haar verzoek intrekt, in de proceskosten, die aan de zijde van [verweerder] tot op heden worden begroot op nihil;
en, voor het geval dat MCB niet uiterlijk 28 april 2026 tot intrekking van het ontbindingsverzoek overgaat:
5.4.
ontbindt de tussen MCB en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2026;
5.5.
kent ter zake van de ontbinding aan [verweerder] ten laste van MCB een vergoeding toe van Cg 225.000 bruto, waarop een eventueel toe te kennen cessantia-uitkering in mindering strekt;
5.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. J.H. Sulsters, griffier, en in het openbaar uitgesproken.