Uitspraak
verzet)
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
In deze zaak staat de eigendom van een perceel grond te Sint Maarten centraal, dat onderdeel uitmaakt van de onverdeelde nalatenschap van een overleden erflater. Opposante, een deelgenoot in de nalatenschap, stelt dat zij het perceel door middel van verkrijgende verjaring in eigendom heeft verkregen, gesteund op een notariële akte uit 2006 en de veronderstelde instemming van alle deelgenoten.
Geopposeerden betwisten dit en voeren aan dat opposante geen bezitsdaden heeft verricht en dat er geen geldige verdeling of instemming is geweest. Het gerecht stelt vast dat opposante niet heeft aangetoond welke bezitsdaden zij of haar rechtsvoorgangers hebben verricht en dat de notariële akte slechts een verklaring bevat, geen bewijs van bezit. Bovendien wist opposante dat het perceel deel uitmaakte van de onverdeelde nalatenschap, waardoor artikel 3:105 BW Pro niet van toepassing is.
Ook de stelling dat er sprake zou zijn van een partiële verdeling met instemming van alle deelgenoten wordt verworpen, omdat opposante geen bewijs heeft geleverd van een dergelijke verdeling of toestemming. Een verklaring van een familielid als executeur is onvoldoende om te concluderen dat alle deelgenoten akkoord waren.
Het gerecht bekrachtigt het verstekvonnis van juni 2017 waarin de inschrijving van de notariële akte is waardeloos verklaard en de erven als eigenaren van het perceel zijn erkend. Opposante wordt veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.
Uitkomst: Het verzet van opposante wordt afgewezen en het verstekvonnis bekrachtigd; zij verkrijgt geen eigendom van het perceel.