Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAM:2019:130

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
29 november 2019
Publicatiedatum
6 december 2019
Zaaknummer
SXM201900264-GAZ 3/2019
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 Regeling AmbtenarenrechtspraakBesluit Proceskosten Bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering nakoming onherroepelijke uitspraak bestuursrechtelijke benoeming

Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om gevolg te geven aan een onherroepelijke uitspraak van het Gerecht van 21 januari 2019, waarin haar benoeming als gevangenbewaarder werd bevestigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Ondanks deze uitspraak heeft verweerder geen nieuw besluit genomen. Klaagster verzocht het Gerecht om verweerder te dwingen alsnog te beslissen en een dwangsom op te leggen. Verweerder erkende het gebrek aan besluitvorming en vroeg om een laatste kans.

Het Gerecht oordeelt dat de weigering om de uitspraak na te komen gegrond is en verklaart deze nietig. Verweerder krijgt een termijn van vier weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom van maximaal US$ 25.000 bij niet-naleving. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan klaagster.

Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen binnen vier weken alsnog te beslissen onder dwangsom en proceskosten worden aan klaagster toegekend.

Uitspraak

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
(I),
klaagster,
gemachtigde: mr. M.N. HOEVE,
tegen
1. DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,
2. DE MINISTER VAN JUSTITIE,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M.P. VAN HEES

1.Aanduiding bestreden beschikking

De weigering om gevolg te geven aan de onherroepelijke uitspraak van het Gerecht van 21 januari 2019.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Op 21 maart 2019 is namens klaagster ter griffie van het Gerecht in ambtenarenzaken een bezwaarschrift ingediend ingevolge de Regeling Ambtenarenrechtspraak.
2.2.Verweerder is bij dienstbrief van 22 maart 2019 van het bezwaarschrift op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld om een contramemorie in te dienen.
2.3.Op 4 november 2019 heeft klaagster aanvullende stukken in het geding gebracht.
2.4.Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 november 2019. Partijen zijn bij gemachtigden voornoemd verschenen.
2.5.Uitspraak is bepaald op heden.

3.Het geschil

3.1.
Bij uitspraak van 21 januari 2019 (zaaknummer 35/2018) heeft dit Gerecht in eerste aanleg het bezwaar van klaagster, gericht tegen de benoeming van klaagster in de functie van gevangenbewaarder bij de Strafgevangenis en het Huis van Bewaring met ingang van 1 juni 2016 en vaststelling van haar rechtspositie, gegrond verklaard. Het Gerecht heeft voorts verweerder opgedragen om een nieuw besluit te geven. Voorts is verweerder veroordeeld in de kosten van de procedure. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.
3.2.
Vast staat dat verweerder geen nieuw besluit heeft gegeven als bedoeld en dus geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 21 januari 2019.
3.3.
Klaagster heeft het Gerecht primair verzocht verweerder op te dragen het bezwaar gegrond te verklaren en binnen twee weken na deze uitspraak aan klaagster een Landsbesluit te verstrekken, inhoudende de benoeming van klaagster met ingang van 1 april 2015 als ambtenaar in vaste pensioengerechtigde dienst in de functie van Pedagogisch Inrichtingsmedewerker B bij de Strafgevangenis en Huis van Bewaring met bezoldiging conform schaal 7 trede 6 op straffe van een dwangsom. Subsidiair verzoekt zij verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen binnen vier weken na deze uitspraak, op straffe van een dwangsom. Tenslotte verzoekt klaagster dat verweerder wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
3.4.
Namens verweerder is ter zitting aangegeven dat juist is dat er nog steeds geen nieuw besluit ligt, terwijl dat er wel moet komen. Verweerder vraagt om een kans alsnog dat besluit te nemen en geeft aan te begrijpen dat deze keer een dwangsom zal worden opgelegd. Verweerder acht het echter te voorbarig indien het Gerecht zelf zou gaan voorzien.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 96, eerste lid van de Rar is de ambtenaar bevoegd deswege een bezwaarschrift bij het Gerecht in te dienen indien aan een veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, hetzij in eerste aanleg bij een onherroepelijk geworden beslissing, hetzij in hoger beroep uitgesproken, niet of niet volledig gevolg gegeven wordt. Het tweede lid bepaalt dat het bezwaar voor wat de beslissing in eerste aanleg betreft, binnen zes maanden nadat zij onherroepelijk geworden en, voor wat de beslissing in hoger beroep betreft, binnen zes maanden na de uitspraak, wordt ingediend.
4.2.
Niet in geschil is dat de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken een procedureel middel is dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te dwingen tot besluitvorming.
4.3.
Nu nog altijd niet op het verzoek van klaagster is beslist is het Gerecht van oordeel dat de weigering om geen gevolg te geven aan een rechterlijke veroordeling als bedoeld in de Rar gegrond dient te worden verklaard. De vraag ligt voor of er voldoende aanleiding bestaat om zelf te voorzien als door klaagster verzocht. Naar het oordeel van het Gerecht dient verweerder, die anders dan het Gerecht over het dossier beschikt, nog een gelegenheid te krijgen om op korte termijn alsnog te beslissen. Het Gerecht ziet wel aanleiding om daarbij de gevraagde dwangsom op te leggen, met dien verstande dat deze gemaximeerd zal worden tot in totaal US$ 25,000.00. Aan verweerder zal een termijn van vier weken gegeven worden om alsnog op het verzoek van klaagster te beslissen. Indien andermaal geen gevolg wordt gegeven aan de uitspraak en klaagster zich opnieuw tot het Gerecht dient te wenden, zal het Gerecht met het oog op de finaliteit van de geschillenbeslechting en de belangen van klaagster mogelijk zelf voorzien als door klaagster verzocht.
4.4.
Het Gerecht acht voorts termen aanwezig om te bepalen dat het land Sint Maarten aan klaagster een bedrag betaalt als vergoeding van door klaagster gemaakte proceskosten. Deze worden naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht bepaalt op NAf 1.400,--, zijnde 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de behandeling.

5.Beslissing.

Het Gerecht in ambtenarenzaken:
5.1.
verklaart het bezwaar gegrond en verklaart de weigering om gevolg te geven aan genoemde rechterlijke uitspraak nietig;
5.2.
draagt verweerder op om binnen vier (4) weken na dagtekening van deze uitspraak te beslissen op het verzoek van klaagster;
5.3.
bepaalt voorts dat indien verweerder na afloop van vorenbedoelde termijn van vier weken nog niet heeft beslist, deze ten laste van het Land Sint Maarten een dwangsom verbeurt van US$ 1,000.00 (zegge: duidend dollar) per dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) tot een maximum van US$ 25,000.00 (zegge: vijfentwintigduizend dollar);
5.4.
veroordeelt het Land Sint Maarten tot vergoeding aan klaagster van een bedrag van NAf 1.400,-- voor de kosten van deze procedure.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in het Gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 29 november 2019.
Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de Regeling Ambtenarenrechtspraak.