Uitspraak
,
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Eiser, woonachtig op Sint Maarten sinds 1999, heeft op 21 november 2017 een optieverklaring ingediend om het Nederlanderschap te verkrijgen. Verweerder, de Gouverneur van Sint Maarten, weigerde deze verklaring op 31 juli 2018 op grond van een strafbeschikking uit juni 2017, waarbij eiser een voorwaardelijke geldboete van 10.000 euro opgelegd kreeg als onderdeel van een schikking met schuldbekentenis.
Eiser betwistte het feit waarvoor de strafbeschikking is opgelegd en stelde dat hij slechts als voormalig president van Saint Martin verantwoordelijk was voor beslissingen van de Collectivité. Hij voerde aan dat de strafbeschikking niet op zijn strafblad stond en dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door alleen mediaberichten te gebruiken ter onderbouwing van het gevaar voor de openbare orde.
Verweerder stelde dat de strafbeschikking, ook al was deze voorwaardelijk en buiten strafrechterlijke procedure om opgelegd, voldoende grond was om de optieverklaring te weigeren. Het Gerecht oordeelde dat de strafbeschikking wel degelijk relevant is en dat de vrijwillige instemming met de transactie essentieel is, waardoor niet kan worden aangenomen dat eiser onschuldig is. Het tijdsverloop tussen het feit en de strafbeschikking doet niet af aan de weigering.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het Gerecht wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de optieverklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt ongegrond verklaard.