Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
BESLISSING
(verzoeker),
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN HET LAND SINT MAARTEN,
Aanduiding bestreden beschikking(en)
Procesverloop
De beslissing
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Verzoeker, een Cubaanse vreemdeling zonder geldige verblijfstitel, werd op 17 april 2019 in vreemdelingenbewaring geplaatst wegens overtreding van toelatingsregels en het risico zich aan verwijdering te onttrekken. Hij was op 22 maart 2019 per boot vanuit Saint Lucia op Sint Maarten aangekomen zonder zich te melden bij de immigratiedienst. De Minister van Justitie had hem als ongewenst vreemdeling aangemerkt en een verwijderingsbeschikking uitgevaardigd.
Verzoeker stelde dat hij een vluchteling was en dat uitzetting hem blootstelde aan vervolging en marteling, en dat zijn bewaring onrechtmatig en disproportioneel was. Hij voerde aan dat hij traceerbaar was en dat een meldplicht volstond. Verweerder voerde aan dat verzoeker geen geldige verblijfstitel had, dat er aanwijzingen waren dat hij zich aan verwijdering zou onttrekken, en dat er zicht was op spoedige uitzetting naar Cuba.
Het Gerecht oordeelde dat de aanhouding rechtmatig was en dat de bewaring en verwijdering op goede gronden waren genomen. Het beroep op het Vluchtelingenverdrag werd verworpen omdat Sint Maarten hier niet aan is gebonden, en het beroep op het EVRM werd afgewezen omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat uitzetting zou leiden tot foltering of onmenselijke behandeling. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen.
De beslissing werd op 12 juni 2019 uitgesproken door rechter P.P.M. van der Burgt. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van vreemdelingenbewaring en voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel en zicht op spoedige uitzetting.